Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3267

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
15/7951 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Winstuitkering geregeld in CAO. Appellante had geen concreet vooruitzicht op de ontvangst van enigerlei bedrag aan winstuitkering na afloop van dat jaar. Uwv is er ten onrechte van uitgegaan dat winstuitkering van juni 2014 gedurende jaar 2013 was opgebouwd en aangemerkt kon als extra periodiek salaris als bedoeld in artikel 11a van het Schattingsbesluit. Opdracht aan Uwv voor nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 11a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0231
USZ 2017/412

Uitspraak

15/7951 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

19 oktober 2015, 15/931 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 22 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2017. Voor appellante is
mr. Severijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontvangt een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en heeft inkomsten uit een dienstbetrekking met [naam werkgever] . In de maand juni 2014 heeft [naam werkgever] appellante een winstuitkering betaald van € 199,44.

1.2.

Bij een eerste besluit van 17 juli 2014 heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering met ingang van 1 maart 2013 wijzigt, omdat rekening wordt gehouden met eerder niet aan het Uwv bekende loonbestanddelen waaronder de ontvangen winstuitkering. Met toepassing van artikel 44 van de WAO wordt voor de hoogte van de uitkering uitgegaan van indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse.

1.3.

Bij een tweede besluit van 17 juli 2014 heeft het Uwv bepaald dat van appellante een totaalbedrag van € 3.389,73 aan volgens het Uwv teveel betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 maart 2013 tot en met 30 juni 2014 wordt teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 4 september 2014 heeft het Uwv bepaald dat vanaf 1 september 2014 elke maand € 282,48 op de WAO-uitkering van appellante wordt ingehouden tot het bedrag van
€ 3.389,73 is verrekend.

1.5.

Appellante heeft tegen de besluiten van 17 juli 2014 en tegen het besluit van

4 september 2014 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard en zijn beslissingen tot wijziging van de
WAO-uitkering, terugvordering en invordering gehandhaafd.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft – onder verwijzing naar artikel 11a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) – overwogen dat het Uwv de bevoegdheid heeft om te kiezen op welke manier hij de winstuitkering in aanmerking neemt. Volgens de rechtbank heeft het Uwv gehandeld overeenkomstig zijn beleid bij het toerekenen van de winstuitkering aan maanden in 2013.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat de winstuitkering moet worden toegerekend aan de maand waarin zij deze heeft ontvangen. Volgens haar is geen sprake van extra salaris dat gedurende het jaar wordt opgebouwd.

3.2.

Het Uwv heeft erop gewezen dat artikel 11a van het Schattingsbesluit en de toelichting daarbij het beleid dat hij voert om een winstuitkering toe te rekenen aan de maanden van het jaar waarin die uitkering is opgebouwd mogelijk maken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting is met partijen vastgesteld dat het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of de winstuitkering, die appellante in juni 2014 van [naam werkgever] heeft ontvangen, extra periodiek salaris is dat in het jaar 2013 is opgebouwd. Bij gelijk aan de zijde van het Uwv legt appellante zich neer bij de berekeningen die zijn opgenomen in het in 1.2 genoemde besluit van 17 juli 2014. Bij gelijk aan de zijde van appellante gaat het Uwv voor een nadere vaststelling van het bedrag van de terugvordering uit van de juistheid van de berekeningen die zijn opgenomen in het aan de rechtbank gezonden aanvullende beroepschrift van
19 maart 2015. Voor zover het bestreden besluit de terugvordering en de invordering betreft, zijn er geen zelfstandige beroepsgronden.

4.2.1.

Op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de WAO wordt de uitkering van degene die arbeid gaat verrichten en daaruit inkomsten geniet gedurende een periode van vijf jaar niet ingetrokken of herzien, maar wordt de uitkering uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de uitkering die zou zijn vastgesteld als die arbeid als algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO zou zijn aangemerkt.

4.2.2.

Op grond van artikel 11a, eerste lid, van het Schattingsbesluit kan bij de vaststelling van feitelijke inkomsten uit arbeid het in de relevante aangiftetijdvakken opbouwde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris in aanmerking worden genomen in plaats van het in relevante aangiftetijdvakken betaalde bedrag aan vakantiebijslag en extra periodiek salaris.

4.3.

Artikel 11a is bij Besluit van 24 juni 2008 (Stb. 2008, 254) met ingang van 1 juli 2008 in het Schattingsbesluit ingevoegd. In de nota van toelichting is vermeld:

“ In artikel 11a wordt bepaald welke correcties voor vakantiebijslagen en periodieke salarissen worden toegepast. Bij de vaststelling van het maatmaninkomen en de resterende verdiencapaciteit op basis van feitelijke verdiensten kan er sprake zijn van betalingen ineens die onvoldoende gespreid over het refertejaar plaatsvinden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitbetaling van vakantiebijslag regulier in mei en eventueel bij het einde van een dienstbetrekking of indien eens per jaar een extra periodiek salaris wordt betaald als een 13e maand. Dit probleem van een niet representatieve hogere betaling doet zich ook voor indien uitsluitend inkomen in een beperkt aantal aangiftetijdvakken in aanmerking wordt genomen. Om dit probleem te ondervangen kent het BDR hiervoor berekeningswijzen, waarbij de werkelijke betalingen worden afgetrokken van het loon en daarbij opgeteld wordt een maandelijkse opbouw van die rechten. Met deze wijziging wordt bij deze berekeningswijze aangesloten.”

4.4.

De vertegenwoordiger van het Uwv heeft ter zitting toegelicht dat de – door de rechtbank in de aangevallen uitspraak onderschreven – uitvoeringspraktijk om het door de werknemer aan een winstuitkering ontvangen bedrag te spreiden over het kalenderjaar van de winst, alleen is neergelegd in een interne werkinstructie.

4.5.

Op de arbeidsovereenkomst van appellante en [naam werkgever] is een CAO van toepassing waarvan artikel 7.9 ‘Winstuitkering’ luidt, voor zover in deze procedure van belang:

“Partijen zijn een winstdelingsregeling overeengekomen die erin voorziet dat de Raad van Bestuur discretionair besluit of op basis van het behaalde bedrijfsresultaat van [naam werkgever] over het voorafgaande kalenderjaar, overgegaan wordt tot het toekennen van een winstuitkering. Als de Raad van Bestuur besluit een winstuitkering tot te kennen, dan bedraagt deze maximaal 3,3% van 12 maal het bruto maandsalaris per
1 december van het jaar waarop de winstuitkering betrekking heeft. Een winstuitkering wordt betaald in de maand juni.

Voor toekenning van deze winstuitkering gelden voorts de volgende voorwaarden:

• de medewerker moet over het jaar waarop de winstuitkering betrekking heeft niet een beoordelingsresultaat “5” (onvoldoende) hebben gehaald,

• de medewerker die op de datum van toekenning 12 maanden of langer op basis van een arbeidsovereenkomst bij [naam werkgever] in dienst is, heeft recht op de volledige winstuitkering. Als de medewerker korter dan 12 maanden in dienst is, wordt de hoogte van de uitkering vastgesteld naar evenredigheid van het aantal maanden sinds zijn indiensttreding.”

4.6.

[naam werkgever] heeft appellante bij brief van 11 juni 2014 onder meer bericht:

“In de maand juni 2014 ontvangen medewerkers van [naam werkgever] een winstuitkering. De winstuitkering bedraagt (onleesbaar)% van 12 maal het bruto maandsalaris per
1 december 2013.

De winstuitkering wordt toegekend aan alle medewerkers die in 2013 of eerder in dienst zijn getreden en op 1 januari 2014 in dienst zijn getreden en op 1 januari 2014 in dienst waren bij [naam werkgever] en onder de cao vallen. Medewerkers die over het afgelopen jaar een beoordeling krijgen variërend van 1 tot en met 4, hebben recht op een winstuitkering. Voor medewerkers die in de loop van 2013 in dienst zijn gekomen, wordt de uitkering naar evenredigheid vastgesteld.”

4.7.

Niet in geschil is dat de winstuitkering extra salaris is en evenmin dat sprake is van periodiek extra salaris als jaarlijks een winstuitkering zou worden ontvangen. Partijen zijn het er ook over eens dat met extra periodiek salaris in artikel 11a, eerste lid, van het Schattingsbesluit een inkomensbestanddeel is bedoeld dat in een tijdvak wordt opgebouwd. Deze uitleg van dit artikel wordt juist geoordeeld. Partijen verschillen van mening over de vraag of de regeling van de winstuitkering in de CAO van [naam werkgever] ertoe leidt dat de winstuitkering een opbouwkarakter heeft.

4.8.1.

Uit de regeling in de CAO, waarbij de toekenning van die uitkering aan appellante met de brief van 11 juni 2014 aansluit, kan niet worden afgeleid dat sprake is van extra salaris dat in een tijdvak wordt opgebouwd.

4.8.2.

Anders dan het Uwv heeft bepleit, is voor het aannemen van een opbouwkarakter van een winstuitkering niet voldoende dat de uitkering naar evenredigheid wordt vastgesteld voor de werknemer die in het jaar waarin winst is genoten niet alle twaalf maanden in dienst is geweest.

4.8.3.

Appellante heeft terecht erop gewezen dat voor het ontvangen van de winstuitkering van [naam werkgever] in juni 2014 voldaan moest zijn aan meer voorwaarden dan het enkele in dienst geweest zijn gedurende (een deel van) het jaar 2013. Er moest sprake zijn van naar het oordeel van [naam werkgever] goed functioneren en haar dienstverband met [naam werkgever] moest na
31 december 2013 voortduren. Dat blijkt zowel uit artikel 7.9 van de CAO als uit de brief van 11 juni 2014.

4.8.4.

Voor het aannemen van een opbouwkarakter is ten minste vereist dat bij aanvang van het tijdvak van opbouw vaststaat dat op het extra salaris – ook als de hoogte daarvan van verschillende factoren afhankelijk is – aanspraak bestaat. Dat is wel het geval bij een aanspraak op een (al dan niet bij CAO) overeengekomen dertiende maand, die wordt genoemd in de in 4.3 aangehaalde nota van toelichting, maar niet bij de winstuitkering die appellante van [naam werkgever] heeft ontvangen. Uit de tekst van artikel 7.9 van de CAO blijkt dat het van jaar tot jaar aan eigen inzicht van de Raad van Bestuur is overgelaten of tot het toekennen van een winstuitkering zal worden overgegaan.

4.8.5.

Uit wat is overwogen in 4.8.3 en 4.8.4 volgt dat appellante noch op 1 januari 2013 noch op 1 maart 2013 (de datum met ingang waarvan volgens het Uwv de WAO-uitkering moet worden gewijzigd) een concreet vooruitzicht had op de ontvangst van enigerlei bedrag aan winstuitkering na afloop van dat jaar.

4.9.

Conclusie is dat het Uwv ten onrechte ervan is uitgegaan dat het bedrag van winstuitkering dat appellante in juni 2014 heeft ontvangen gedurende het jaar 2013 was opgebouwd en kon worden aangemerkt als extra periodiek salaris als bedoeld in artikel 11a van het Schattingsbesluit. Dat betekent dat uit dat artikel niet de bevoegdheid voortvloeit om de winstuitkering in aanmerking te nemen in aangiftetijdvakken waarin niet van betaling sprake was. Met toepassing van zijn werkinstructie op een salarisbestanddeel dat niet in een tijdvak is opgebouwd, heeft het Uwv onjuist en in strijd met artikel 11a van het Schattingsbesluit gehandeld. De winstuitkering van € 199,44 is inkomen in de maand juni 2014 en kan niet voor 1/12 deel worden toegerekend aan elke maand van 2013.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit zullen worden vernietigd. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat de berekeningen in het in 4.1 genoemde aanvullend beroepschrift niet alle gegevens bevatten die nodig zijn voor de vaststelling van de WAO-uitkering met ingang van 1 maart 2013, voor een herberekening van het terugvorderingsbedrag en – voor zover nog nodig – voor een aanpassing van het invorderingsbedrag. Dat betekent dat het Uwv zal worden opgedragen om, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 17 juli 2014 en 4 september 2014. Er is met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissingen op de bezwaren van appellante slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

4.11.

Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 495,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.485,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 januari 2015;

  • -

    draagt het Uwv op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Raad;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.485,-.

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en R.E. Bakker en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) N. van Rooijen

AB