Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
15/7924 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij over de jaren 2011, 2012 en 2013 méér zorgkosten heeft gemaakt dan hij over deze jaren heeft verantwoord. Het Zorgkantoor hoefde dan ook geen hoger pgb aan appellant te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/7924 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 oktober 2015, 15/1666 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 20 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam A] hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam B] . Het Zorgkantoor is met bericht niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant beschikte over een door CIZ afgegeven indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) voor de functie begeleiding individueel, klasse 2. Het Zorgkantoor heeft in verband met deze indicatie op grond van de Regeling subsidies AWBZ voor de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) aan appellant verleend. Appellant heeft over de jaren 2011, 2012 en 2013 verantwoording afgelegd over de besteding van de pgb’s tot bedragen van respectievelijk € 2.890,02, € 4.834,44 en € 5.426,14. Het Zorgkantoor heeft de ingediende verantwoordingen goedgekeurd en de pgb’s over deze jaren vastgesteld op de bij de verlening bepaalde bedragen.

1.2.

Bij besluit van 24 juni 2014 heeft CIZ appellant met terugwerkende kracht geïndiceerd voor zorgzwaartepakket GGZ 4C met dagbesteding met vervoer, klasse 7, voor de periode van 14 juli 2011 tot en met 29 mei 2027. Naar aanleiding hiervan heeft het Zorgkantoor voor het jaar 2014 met terugwerkende kracht een aan de nieuwe indicatie aangepast hoger pgb aan appellant verleend. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en daarbij aangevoerd dat het Zorgkantoor ook voor de jaren 2011, 2012 en 2013 met terugwerkende kracht een hoger pgb moet toekennen.

1.3.

Bij drie afzonderlijke besluiten van 21 januari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 juli 2015 (bestreden besluit), heeft het Zorgkantoor geweigerd om met terugwerkende kracht voor 2011, 2012 en 2013 een hoger pgb aan appellant te verlenen. Het Zorgkantoor heeft hieraan ten grondslag gelegd dat alleen met terugwerkende kracht een hoger pgb kan worden verleend als de omvang van de meer verleende zorg kan worden onderbouwd met een zorgovereenkomst, declaratieformulieren en girale betaalbewijzen. Op basis van de door appellant overgelegde stukken, te weten een aangepaste zorgovereenkomst, schuldbekentenissen en verantwoordingsformulieren, acht het Zorgkantoor het onvoldoende aannemelijk dat appellant in 2011, 2012 en 2013 meer zorg heeft ingekocht dan hij over deze jaren heeft verantwoord.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij over de jaren 2011, 2012 en 2013 méér zorgkosten heeft gemaakt dan hij over deze jaren heeft verantwoord. Het Zorgkantoor hoefde dan ook geen hoger pgb aan appellant te verlenen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij vanaf 2011 méér zorg nodig had dan door CIZ was geïndiceerd en dat dit uiteindelijk heeft geleid tot de op 24 juni 2014 met terugwerkende kracht door CIZ afgegeven hogere indicatie. De vader van appellant heeft als zorgverlener wel altijd meer zorg aan appellant verleend. Appellant wil voor deze zorg alsnog een pgb ontvangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Zorgkantoor niet gehouden was om aan appellant voor 2011, 2012 en 2013 een hoger pgb te verlenen. Wat de gemachtigde van appellant ter zitting heeft aangevoerd over de betrokkenheid van de vader bij de gezondheidssituatie van appellant en de door hem aan appellant verleende zorg, neemt niet weg dat appellant ook in hoger beroep niet met stukken onderbouwd aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2011, 2012 en 2013 méér kosten voor zorg heeft gemaakt dan hij in deze jaren aanvankelijk heeft verantwoord.

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.3.

Gelet op de inhoud van het geschil, wijst de Raad appellant op zijn vaste rechtspraak over de gevolgen van het niet achteraf kunnen verantwoorden van een pgb bij een met terugwerkende kracht verleende indicatie. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van
13 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3246 en van 31 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1259.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en A.J. Schaap en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.L. Alves

AB