Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
15/6360 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling Uwv in kosten van rechtsbijstand en medische rapport. Overschrijding redelijke termijn is negen maanden, waarvan in de bezwaarfase (UWV) één maand en door bestuursrechter acht maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 september 2017

15/6360 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

4 september 2015, 13/6804 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. Beukema hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft op 9 juni 2017 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 15 juni 2017 heeft mr. Beukema namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep en schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn.

Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 9 juni 2017 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten van rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op

€ 495,-. Daarnaast komen de kosten van het ingebrachte rapport van neuroloog
J.U.R. Niewold tot een bedrag van € 1.052,70 voor vergoeding in aanmerking, zodat de totale kostenveroordeling € 1.502,70 bedraagt.

In de bijlage bij het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van de proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegewezen. In vergoeding van de gemaakte kosten voor de brieven van 8 december 2015 en 31 maart 2016, zoals door appellante is verzocht, is daarbij niet voorzien. Het insturen van deze, niet door de Raad verzochte, brieven kan niet worden aangemerkt als een proceshandeling.

Voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geldt het volgende.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 19 december 2012 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure afgerond vier jaar en negen maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv afgerond zeven maanden geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase is één maand. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 20 augustus 2013 heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank tot de uitspraak op 4 september 2015 afgerond twee jaar en één maand geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift van appellante op 21 september 2015 tot de datum van deze uitspraak eveneens afgerond twee jaar geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is acht maanden. Daarmee is vastgesteld dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van

19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 111,11 (1/9 deel van € 1.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 888,89 (8/9 deel van € 1.000,-).

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellante van vergoeding van schade tot een bedrag van € 888,89.

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van vergoeding van schade tot een bedrag van € 111,11;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.547,70.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) N.L. Kuipers

AB