Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3260

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
13/2386 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding. Veroordeling Uwv in proceskosten voor verleende rechtsbijstand en medische rapporten. Redelijke termijn is met één jaar en negen maanden overschreden, waarvan vijf maanden voor rekening komt van het Uwv en één jaar en vier maanden voor rekening van de bestuursrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Datum uitspraak: 13 september 2017

13/2386 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

27 maart 2013, 12/974 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 17 maart 2017 een tussenuitspraak gedaan, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2017:1085.

Het Uwv heeft op 1 mei 2017 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 29 mei 2017 heeft mr. I.J. Blekman, opvolgend raadsman, namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en schade ten gevolge van het overschrijden van de redelijke termijn.

Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Namens appellante is het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 1 mei 2017 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.

De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

Het verzoek om vergoeding van de kosten van € 1.000,80 van het door appellante overgelegde rapport van M. Kazemier, psychiater, en E. van Rhede, psycholoog, komt voor toewijzing in aanmerking.

Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Met verwijzing naar de uitspraak van 7 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2978, wordt in een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het bestuursorgaan toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie). Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de hoger beroepsrechter ten hoogste drie en een half jaar heeft geduurd en de hoger beroepsrechter vervolgens binnen één jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak doet.

Voor het onderhavige geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het Uwv op 13 december 2011 tot de datum van deze uitspraak heeft de procedure afgerond vijf jaar en negen maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met één jaar en negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.000,-.

De periode tussen de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 15 mei 2012 tot de tussenuitspraak van de Raad van 17 maart 2017 heeft vier jaar en tien maanden in beslag genomen. De Raad heeft vier maanden na de mededeling van het Uwv op 20 april 2017 van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld, einduitspraak gedaan. Dat betekent dat een deel van de overschrijding van de redelijke termijn voor rekening van de Staat komt, namelijk het gedeelte dat langer heeft geduurd dan drie jaar en een half jaar tussen het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak van de Raad. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter van één jaar en vier maanden. Hieruit volgt dat voor rekening van het Uwv een overschrijding van vijf maanden komt. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 476,19 (5/21 deel van € 2.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 1.523,81 (16/21 deel van € 2.000,-).

Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan appellante zich rechtstreeks tot het Uwv wenden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellante van vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.523,81.

- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van vergoeding van schade tot een bedrag van € 476,19;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.970,80.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van N.L. Kuipers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) N.L. Kuipers

AB