Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3253

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
16/3864 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 8:119, lid 1, Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/3864 AW

Datum uitspraak: 21 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 28 mei 2015, 14/967 AW

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het dagelijks bestuur van De Kompanjie (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. R. Wubs bij verzoekschrift van 20 juli 2016 gevraagd om herziening van de bovenvermelde uitspraak van de Raad.

Namens het dagelijks bestuur heeft mr. D. Kuijken, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Wubs. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.J.F. Nuijens en M.A. Swenne.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Bij de uitspraak van 28 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1666, heeft de Raad het eervol ontslag van verzoeker wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking, anders dan op grond van ziekte of gebreken, in stand gelaten. Daartoe heeft de Raad overwogen dat verzoeker in zijn algemene functioneren tekortschoot en daarnaast ongepast gedrag jegens vrouwelijke collega’s vertoonde, zodat er voldoende feitelijke grondslag bestond voor het oordeel dat verzoeker ongeschikt is voor de vervulling van zijn betrekking.

3. Verzoeker heeft aan zijn herzieningsverzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven tot herziening van de uitspraak van de Raad. Daartoe heeft verzoeker - samengevat - aangevoerd dat hij valselijk is beschuldigd van ongepast gedrag en er geen onderzoek is gedaan naar de betrouwbaarheid van de collega’s [collega A.] en [collega B.]. Voorts wordt betoogd dat verzoeker waarschijnlijk lijdt aan een stoornis die zijn gedrag heeft beïnvloed. Daartoe wordt door een psycholoog nader onderzoek verricht.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 8 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4412) is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid, een nieuwe discussie over de betrokken uitspraak te openen.

4.2.

Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden genoemd die bij hem niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn vóór de uitspraak van 28 mei 2015. De feiten en omstandigheden waarop hij zich beroept, zijn in de procedure die tot de uitspraak van de Raad heeft geleid ook aan de orde geweest, dan wel hadden in die procedure aan de orde kunnen worden gesteld. De stelling van verzoeker dat hij valselijk is beschuldigd van ongewenst gedrag jegens vrouwelijke collega’s behelst, wat daarvan overigens ook zij, niet een omstandigheid die verzoeker vóór de uitspraak niet bekend was en redelijkerwijs niet bekend kon zijn.

4.3.

De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting van de Raad verzocht om aanhouding van de zaak teneinde de uitkomsten van een nader onderzoek door een psycholoog aan de Raad te kunnen overleggen. Daargelaten de vraag of de uitkomsten van het onderzoek kunnen worden aangemerkt als feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb, meent de Raad dat verzoeker inmiddels ruimschoots de gelegenheid heeft gehad nadere stukken in te dienen. Bovendien zijn de uitkomsten niet op korte termijn te verwachten. Onder deze omstandigheden wijst de Raad dit verzoek af.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek moet worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2017.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Mansourova

HD