Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3252

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2017
Datum publicatie
22-09-2017
Zaaknummer
15/1245 ABP
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het besluit van 5 maart 1997 in rechte onaantastbaar is geworden, dat appellant daarover geen procedure meer kan voeren bij de bestuursrechter en dat de rechtbank onbevoegd is over het geschil tussen appellant en het bestuur te beslissen. De rechtbank heeft evenzeer op goede gronden geoordeeld dat de minister, omdat hij de bevoegdheid daartoe mist, geen besluit heeft genomen of heeft geweigerd te nemen over de pensioenaanspraken van appellant en dat de rechtbank dus evenmin bevoegd is over het geschil tussen appellant en de minister te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1245 ABP, 15/1274 ABP

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 9 januari 2015, 14/1974 (aangevallen uitspraak 1) en 14/1975 (aangevallen uitspraak 2) en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP (bestuur)

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister)

Datum uitspraak: 21 september 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het bestuur en de minister hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2017, waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellant is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P. Geurst. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H. von Meijenfeldt, M.M.A. van der Ligt en E.W. Gerretsen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft onder de Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet) pensioenrechten opgebouwd. Per 1 januari 1996 is het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) geprivatiseerd. Vanaf deze datum is het publiekrechtelijke ABP vervangen door de Stichting Pensioenfonds ABP. Bij besluit van 5 maart 1997 heeft het bestuur aan appellant de in

artikel 7, vierde lid, van de Wet privatisering ABP bedoelde schriftelijke opgave verstrekt van het uit hoofde van zijn dienstbetrekkingen opgebouwde uitzicht op pensioen ingevolge de Abp-wet. Op grond van het vijfde lid van dit artikel wordt de opgave aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 31 maart 1997 bezwaar gemaakt. Bij brief van 2 oktober 1997 heeft appellant meegedeeld dat de behandeling van zijn bezwaar kan worden aangehouden totdat lopende rechterlijke procedures tot een definitief einde zijn gekomen, waarvan hij dan melding zal maken.

1.2.

Bij brief van 10 oktober 1997 heeft het bestuur een toelichting gegeven op de opgave, meegedeeld dat er nota van is genomen dat appellant zich niet kan verenigen met de door zijn werkgever betaalde salarisbedragen en hij daartegen een rechterlijke procedure heeft aangespannen en dat hem in het geval van een positief resultaat wordt verzocht het bestuur daarover schriftelijk te informeren waarna die brief zal worden aangemerkt als een verzoek om herziening van de opgave en de opgave zal worden aangepast. Verder heeft het bestuur meegedeeld dat het bezwaar in dit stadium als afgehandeld wordt beschouwd. Als achteraf, na de rechterlijke uitspraak, mocht blijken dat iets niet in orde is, kan appellant het bestuur daarop te allen tijde aanspreken.

1.3.

Appellant heeft nadien uitgebreid gecorrespondeerd met de minister. Bij brief van 4 februari 2014 heeft appellant wederom bezwaar gemaakt tegen het besluit van 5 maart 1997.

1.4.

In reactie op dit bezwaarschrift heeft het bestuur bij brief van 10 april 2014 aan appellant meegedeeld dat het geen bestuursorgaan is in de zin van de Awb en daarom geen beslissing kan nemen op een bezwaar in de zin van die wet. Ook heeft het bestuur meegedeeld dat tegen het besluit van 5 maart 1997 geen rechtsmiddelen meer openstaan omdat het in rechte onaantastbaar is geworden. Appellant heeft beroep ingesteld tegen de brief van 10 april 2014.

1.5.

Na eerdere correspondentie tussen appellant en de minister heeft appellant de minister bij brief van 27 januari 2014 in gebreke gesteld omdat deze niet (tijdig) de door appellant gewenste beslissing over zijn pensioenrechten heeft genomen.

1.6.

Bij brief van 13 februari 2014 heeft de minister appellant meegedeeld dat hij niet bevoegd is een beslissing te nemen over de ABP-pensioenuitkering van appellant, omdat het ABP per 1 januari 1996 is geprivatiseerd.

1.7.

Appellant heeft daarop beroep ingesteld tegen de brief van 13 februari 2014.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard ter zake van het beroep, gericht tegen de brief van het ABP van 10 april 2014. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat nimmer een besluit is genomen over het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 maart 1997. De brief van het bestuur van 10 oktober 1997 is volgens de rechtbank een schriftelijke weigering om een besluit te nemen. Omdat appellant niet binnen een redelijke termijn op die brief heeft gereageerd, is het besluit van 5 maart 1997 inmiddels in rechte onaantastbaar geworden. Daarmee is de weg naar de bestuursrechter wat dit besluit betreft afgesloten. De brief van appellant van 4 februari 2014 kan daarom niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift en de reactie daarop van het bestuur bij brief van 10 april 2014 niet als een beslissing op bezwaar. Het beroep van appellant is dan ook niet gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb zodat de rechtbank het niet in behandeling kan nemen.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard ter zake van het beroep, gericht tegen de brief van de minister van 13 februari 2014. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister geen publiekrechtelijke bevoegdheid heeft om besluiten te nemen over de individuele aanspraken van appellant op zijn - onder de Abp-wet opgebouwde - pensioenrechten. De brieven van de minister bevatten daarom noch een besluit noch een weigering om zo’n besluit te nemen. Omdat het beroep van appellant niet is gericht tegen een besluit, is de rechtbank niet bevoegd om over dit geschil te oordelen.

3. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het besluit van 5 maart 1997 in rechte onaantastbaar is geworden, dat appellant daarover geen procedure meer kan voeren bij de bestuursrechter en dat de rechtbank onbevoegd is over het geschil tussen appellant en het bestuur te beslissen. De rechtbank heeft evenzeer op goede gronden geoordeeld dat de minister, omdat hij de bevoegdheid daartoe mist, geen besluit heeft genomen of heeft geweigerd te nemen over de pensioenaanspraken van appellant en dat de rechtbank dus evenmin bevoegd is over het geschil tussen appellant en de minister te beslissen. De Raad maakt de overwegingen van de rechtbank in beide aangevallen uitspraken tot de zijne en voegt daar het volgende aan toe. De kern van het betoog van appellant is dat hij door de privatisering van het ABP financieel is benadeeld (het door appellant benoemde ‘PIR-verschil’). De privatisering van het ABP, inmiddels meer dan twintig jaar geleden en bij formele wet geregeld, is echter een vaststaand gegeven. Dat geldt ook voor de juridische gevolgen daarvan, die er onder meer uit bestaan dat de bestuursrechter niet bevoegd is om de geschillen te beoordelen die appellant heeft aangebracht.

3.2.

Uit 3.1 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

3.3.

Uit 3.1 volgt ook dat de vorderingen van appellant om een verplichting op te leggen tot indexering van zijn pensioen en om dwangsommen verbeurd te verklaren wegens het niet (tijdig) nemen van besluiten na ingebrekestellingen, niet aan de orde kunnen zijn.

3.4.

Appellant heeft ook verzocht om een veroordeling tot vergoeding van schade bestaande uit rente- en belastingnadelen. Bij deze beslissing is er voor zo’n veroordeling geen grond. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L.V. van Donk

HD