Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3244

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2017
Datum publicatie
25-09-2017
Zaaknummer
16/1786 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet gemelde huur van een bedrijfspand voor € 847,- en ontvangen onderhuur van € 800,-. Middelen. Geen aanleiding met kosten van de huur rekening te houden. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 1786 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

9 maart 2016, 15/2657 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

Datum uitspraak: 19 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klomp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klomp. Namens het college is verschenen M.P.M. Spolder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 23 oktober 2012 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de politie dat op 6 januari 2015 een hennepkwekerij met 632 hennepplanten van zes weken oud is ontmanteld in een bedrijfspand op het [adres] te [vestigingsplaats], welk bedrijfspand appellant sinds 1 mei 2013 huurde, heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, informatie van de politie, waaronder de processen-verbaal van de politieverhoren, bestudeerd en appellant op 11 februari 2015 gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 maart 2015.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 15 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 november 2015 (bestreden besluit), de bijstand over de periode van 1 mei 2013 tot en met 14 september 2014 te herzien door de niet gemelde inkomsten uit onderverhuur op de bijstand in mindering te brengen en de bijstand over de periode van 15 september 2014 tot en met 6 januari 2015 te herzien

(lees: in te trekken) omdat het recht op bijstand als gevolg van de niet gemelde inkomsten uit onderverhuur en uit de hennepkwekerij niet kan worden vastgesteld. Tevens heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 mei 2013 tot en met 6 januari 2015 van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 20.615,25. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de huur van het bedrijfspand, zijn werkzaamheden aan oude auto’s, zijn inkomsten uit (onder-)verhuur en de hennepkwekerij. Appellant heeft weliswaar verklaard dat de hennepkwekerij is aangetroffen in het gedeelte van het bedrijfspand dat hij onderverhuurde, maar tijdens de inval in het bedrijfspand zijn geen onderhuurders aangetroffen, zodat het feit dat in de door appellant gehuurde loods een hennepkwekerij is aangetroffen, de vooronderstelling rechtvaardigt dat hij daarvan (mede)eigenaar is (geweest) en dat de opbrengst ook aan hem ten goede is gekomen. Appellant heeft verder geen enkel bewijsstuk van de inkomsten uit (onder-)verhuur overgelegd. Als gevolg van het schenden van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand dan ook over de gehele periode van 1 mei 2013 tot en met 6 januari 2015 niet worden vastgesteld en zou de bijstand volledig kunnen worden teruggevorderd. Gelet op het verbod van reformatio in peius heeft het college de herziening van het recht op bijstand over de periode van 1 mei 2013 tot 15 september 2014 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat informatie met betrekking tot de inkomsten uit (onder)verhuur van het bedrijfspand voor de (voortzetting van de) verlening van bijstand van belang was. Dat geldt ook voor informatie over de werkzaamheden die hij in het bedrijfspand heeft verricht. Appellant heeft hiervan echter niet tijdig uit eigen beweging aan het college mededeling gedaan. Hiermee heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Nu appellant tot op heden geen concrete en verifieerbare gegevens heeft verstrekt over bijvoorbeeld de hoogte van de ontvangen huur voor het bedrijfspand en de wijze waarop hij voorzag in kosten die verband hielden met de (betaling van de) huur van het bedrijfspand, is reeds om die reden niet (meer) vast te stellen of hij over de periode van 1 mei 2013 tot en met 6 januari 2015 recht op bijstand had. De rechtbank heeft de gronden van appellant gericht tegen de in het bedrijfspand aangetroffen hennepkwekerij daarom verder onbesproken gelaten.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 mei 2013 tot en met 6 januari 2015.

4.2.

Het besluit tot herziening en intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en herziening of voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant sinds 1 mei 2013 het bedrijfspand huurde omdat hij, zoals hij zelf heeft verklaard, oude auto’s wilde opknappen in de werkhal van het bedrijfspand en dat hij maandelijks via een contante storting bij een Grenswisselkantoor (GWK) € 847,- aan huur betaalde voor dit pand. Voorts is niet in geschil dat appellant heeft verklaard dat hij een gedeelte van dit pand onderverhuurde en dat hij hiervoor maandelijks in contanten een bedrag van € 800,- ontving. Appellant heeft noch van de huur noch van de door hem gestelde onderverhuur melding gedaan aan het college.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat de inkomsten die hij ontving uit onderverhuur, zijnde een bedrag van

€ 800,-, lager waren dan het bedrag van € 847,- dat hij maandelijks aan huur moest betalen. Omdat hij feitelijk niets heeft verdiend met het onderverhuren van het pand, hoefde hij van deze inkomsten ook geen opgave te doen aan het college. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Appellant had redelijkerwijs moeten begrijpen dat het huren van het bedrijfspand een voor de (voortzetting van) bijstand relevant gegeven was. Mede gelet op het door hem verklaarde doel van het huren van het bedrijfspand, te weten voor het opknappen van

old-timers, had appellant het college hierover moeten inlichten.

4.6.

Dit geldt evenzeer voor de onderverhuur van een gedeelte van het bedrijfspand en de inkomsten daaruit, uitgaande van de eigen verklaring van appellant hierover. In artikel 32, eerste lid, van de PW zijn inkomsten uit verhuur uitdrukkelijk genoemd als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Inkomsten uit verhuur worden in mindering gebracht op de bijstand. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij de (inkomsten uit) onderverhuur bij het college moest melden. Dat appellant naar hij stelt na aftrek van de inkomsten uit verhuur feitelijk nog € 47,- aan huur moest betalen, wat daar verder van zij, doet hieraan niets af. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 2 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4036) is er in het kader van de toepassing van de Wet werk en bijstand, thans de PW, bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.8.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.9.

Appellant is hierin niet geslaagd. Appellant heeft de door hem gestelde inkomsten uit onderverhuur niet met concrete en verifieerbare stukken onderbouwd. Evenmin heeft hij met stukken onderbouwd op welke wijze hij de kosten van de borg ter hoogte van € 2.100,-, de provisie van € 20,- per maand voor het GWK en de kosten van water en elektriciteit van het bedrijfspand heeft voldaan. Op deze grond alleen al heeft het college het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kunnen vaststellen. De Raad ziet, net als de rechtbank, om die reden geen aanleiding de beroepsgronden met betrekking tot de aangetroffen hennepkwekerij te bespreken.

4.10.

Dat het college het recht op bijstand vanaf 6 januari 2015 niet heeft herzien of ingetrokken, leidt niet tot een ander oordeel over de te beoordelen periode. Vanaf 6 januari 2015 was immers sprake van een gewijzigde situatie omdat appellant op dat moment niet langer huurder was van het bedrijfspand.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en E.C.R. Schut en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van J. Smolders als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2017.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) J. Smolders

HD