Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
15/6682 WUV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Ten onrechte hernieuwde vaststelling periodieke Wuv-uitkering. Geen toereikende grondslag. Geen sprake van gezamenlijke huishouding. Voldaan aan het criterium van het gezamenlijk voorzien in huisvesting, maar niet voldaan het criterium van financiële verstrengeling dan wel het op andere wijze voorzien in elkaars verzorging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/6682 WUV

Datum uitspraak: 26 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 oktober 2015, kenmerk BZ01870396 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2016. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 1984 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Aan haar is onder meer een periodieke uitkering toegekend. In september 2009 is zij een geregistreerd partnerschap aangegaan met M. Zowel M als appellante bleef daarbij ingeschreven op het eigen adres. Het geregistreerd partnerschap is in december 2009 weer beëindigd.

1.2.

Sinds april 2013 staat appellante ingeschreven op het adres van M. Bij besluit van 14 mei 2015 heeft verweerder het voorschot op de periodieke uitkering van appellante, in afwachting van hernieuwde vaststelling van die uitkering, per 1 mei 2015 bepaald op € 0,-. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daarbij heeft verweerder overwogen dat appellante in april 2013 een gezamenlijke huishouding met M is gaan voeren. Nu haar burgerlijke staat is gewijzigd, is verweerder gehouden haar uitkering opnieuw vast te stellen.

2. Appellante heeft in beroep betwist dat van een gezamenlijke huishouding sprake is. Naar haar zeggen heeft zij een aanbod van M aanvaard om kosteloos zijn zolderverdieping te gaan bewonen, dit gelet op haar precaire financiële situatie. Daarbij is, aldus appellante, de uitdrukkelijke afspraak gemaakt dat van een gezamenlijke huishouding nimmer sprake zal zijn.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv, wordt de periodieke uitkering opnieuw vastgesteld wanneer de uitkeringsgerechtigde in het huwelijk treedt.

3.2.

Op grond van artikel 1a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wuv, worden als gehuwd aangemerkt, ongehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat. Ingevolge het derde lid van genoemde bepaling kan van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het tweede lid slechts sprake zijn indien twee personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

3.3.

De omschrijving in artikel 1a, derde lid, van de Wuv is dus tweeledig. Verweerder is van mening dat in dit geval is voldaan aan zowel het criterium van het gezamenlijk voorzien in huisvesting, als dat van financiële verstrengeling dan wel het op andere wijze voorzien in elkaars verzorging. Die conclusie baseert verweerder mede op de telefonische beantwoording door appellante van een aantal aan haar gestelde vragen over haar woon- en leefsituatie, voorafgaand aan het bestreden besluit. Verweerder heeft ter zitting van de Raad bevestigd dat niet wordt getwijfeld aan de feitelijke juistheid van de toen door appellante gegeven antwoorden. Ook de Raad moet bij zijn beoordeling dus uitgaan van de feiten zoals die door appellante tijdens het bewuste telefoongesprek zijn weergegeven.

3.4.

Niet in geschil is dat appellante en M sinds april 2013 hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. De conclusie van verweerder dat daarmee sprake is van het gezamenlijk voorzien in huisvesting als bedoeld in artikel 1a, derde lid, van de Wuv, kan dan ook worden onderschreven, en wordt door appellante op zichzelf beschouwd overigens ook niet zozeer betwist.

3.5.

Appellante betwist wel dat in haar situatie wordt voldaan aan het criterium van financiële verstrengeling dan wel het op andere wijze voorzien in elkaars verzorging. In die betwisting kan zij worden gevolgd. Blijkens hetgeen appellante in antwoord op de haar gestelde vragen heeft laten weten, bewoont zij de zolderverdieping van M kosteloos, en neemt M behalve de woonlasten ook de energie- en waterkosten, alsmede de gemeentelijke belastingen voor zijn rekening. Daarmee is sprake van zorg van M voor appellante, maar niet van wederkerigheid in die zorg. De bedoelde wederkerigheid maakt wel onderdeel uit van de begripsbepaling van artikel 1a, derde lid, van de Wuv. Verweerder baseert zijn standpunt dat die wederkerigheid hier wel degelijk aan de orde is, enkel en alleen op het gegeven dat appellante, overigens met aanwending van de voorziening voor huishoudelijke hulp die zij krachtens de Wuv ontvangt, zorg draagt voor de schoonmaak van de door haar bewoonde zolderverdieping. In aanmerking genomen dat het hier, zoals door appellante nadrukkelijk gemeld, gaat om een afzonderlijke en door appellante exclusief bewoonde etage, is dat enkele gegeven onvoldoende om van wederkerigheid in de zorg te kunnen spreken. Dat appellante nu en dan gezamenlijke activiteiten met M onderneemt is, zoals verweerder ter zitting van de Raad heeft onderkend, in dit kader op zichzelf beschouwd niet relevant.

3.6.

Het voorgaande betekent dat de conclusie van verweerder dat appellante in april 2013 een gezamenlijke huishouding is gaan voeren, een toereikende grondslag ontbeert. De situatie, bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wuv, was dus niet aan de orde. Verweerder is ten onrechte uitgegaan van een gehoudenheid tot hernieuwde vaststelling van de uitkering en is dus ook ten onrechte, daarop vooruitlopend, overgegaan tot het nemen van het besluit van 14 mei 2015. Het beroep is gegrond. De Raad zal het bestreden besluit vernietigen. De Raad ziet verder aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 14 mei 2015 te herroepen.

4. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 2 oktober 2015;

- herroept het besluit van 14 mei 2015 en bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats

treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het door appellante in beroep betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 45,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2017.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) J. Tuit

HD