Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3227

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
16/536 WLZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Garantiebedrag op grond van het bepaalde in artikel 5.15, aanhef en onder b, van de Rlz. Pgb 2014 van € 60.673,-. Nu het Zorgkantoor bij het bestreden besluit een pgb heeft verleend van € 61.190,90, is appellant niet tekortgedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/536 WLZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 11 december 2015, 15/1829 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 20 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Deckwitz hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Demon. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Hovens‑Moghtader en W. Alidjan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1977, woont sinds 1997 in een kleinschalig wooninitiatief. Het Zorgkantoor heeft appellant vanaf 2009 op grond van het bepaalde bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een persoonsgebonden budget (pgb) verleend.

1.2.

Bij besluit van 3 juni 2014 heeft het Zorgkantoor appellant voor het gehele jaar 2014 een bruto pgb verleend van € 60.673,-.

1.3.

Bij besluit van 15 april 2015 heeft het Zorgkantoor voor het jaar 2015 een pgb verleend van € 59.107,23.

1.4.

Bij besluit van 2 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2015 gegrond verklaard en het verleende pgb verhoogd tot een bedrag van € 61.190,90.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant recht heeft op een budgetgarantie en dat op grond van deze budgetgarantie het pgb voor 2015 wordt opgehoogd tot 100,74% van het pgb per 31 december 2014. Bij herberekening van het pgb naar een bedrag per dag op 31 december 2014, resulteert dat in een pgb voor heel 2015 van € 61.194,22 waarbij er slechts sprake is van een afrondingsverschil ten opzichte van het verleende bedrag.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Onder verwijzing naar de Regeling subsidies AWBZ heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat bij het bepalen van de hoogte van het pgb voor 2015 rekening moet worden gehouden met het bedrag van de budgetgarantie zoals dit voor de jaren 2013 en 2014 had moeten worden vastgesteld. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat er geen sprake is van een afrondingsverschil en dat het verleende pgb verhoogd moet worden tot € 61.194,22.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Ten tijde van het bestreden besluit was geldend artikel 5.15, eerste lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz). Dit artikellid luidt:

1. Het zorgkantoor hoogt het persoonsgebonden budget op tot een garantiebedrag ter hoogte van 100,74% van het persoonsgebonden budget dat was verleend voor de subsidieperiode die eindigde op 31 december 2014, indien de verzekerde volgens het indicatiebesluit was aangewezen op verblijf zoals dat gold onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, en

a. het persoonsgebonden budget bij de eerste verlening op basis van een indicatiebesluit waaruit bleek dat de verzekerde was aangewezen op een zorgzwaartepakket, op grond van een beleidsregel van het College zorgverzekeringen of op grond van artikel 2.6.15 van de Regeling subsidies AWBZ, zoals dat artikel luidde voor 1 januari 2013, was opgehoogd tot een garantiebedrag of

b. aan de verzekerde in 2012 een persoonsgebonden budget is verleend op basis van een indicatiebesluit krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten waaruit bleek dat de verzekerde aangewezen was op verblijf en de verzekerde vanaf 30 december 2012 ononderbroken woonachtig was in een kleinschalig wooninitiatief.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant aanspraak kan maken op het garantiebedrag op grond van het bepaalde in artikel 5.15, aanhef en onder b, van de Rlz en dat het Zorgkantoor hem bij besluit van 3 juni 2014 voor het jaar 2014 een pgb heeft verleend van € 60.673,-. Op grond van het bepaalde in artikel 5.15, eerste lid, had appellant aanspraak op een pgb van 100,74% van dat bedrag, uitkomende op een bedrag van € 61.121,98. Nu het Zorgkantoor bij het bestreden besluit een pgb heeft verleend van € 61.190,90, is appellant niet tekortgedaan.

4.3.

De beroepsgrond dat bij het bestreden besluit rekening had moeten worden gehouden met het bedrag aan budgetgarantie zoals dit had moeten worden bepaald in eerdere jaren treft geen doel. Dit standpunt gaat er ten onrechte aan voorbij dat de besluiten voor die jaren in rechte onaantastbaar zijn geworden.

4.4.

Het hoger beroep treft geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J. Brand en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2017.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) R.H. Budde

NW