Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
16/2317 OCWSUB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv handhaaft het bestreden besluit niet langer, omdat inmiddels is gebleken dat appellant over het studiejaar 2015-2016 in beginsel recht had op een vergoeding van de kosten van een doventolk voor het volgen van zijn studie. Het Uwv heeft vervolgens besloten om over dit studiejaar niet alsnog een vergoeding toe te kennen, omdat appellant toen geen gebruik heeft gemaakt – en heeft kunnen maken – van een professionele doventolk, maar om appellant op een andere wijze compensatie te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

23 maart 2016, 15/6351 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.T. Wigger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens hebben partijen nog diverse brieven aan de Raad gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wigger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. dr. J.H. Ermers. Voorts was aanwezig als doventolk mevrouw C.M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is prelinguaal doof en aan hem is in verband hiermee met ingang van
1 september 2007 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend. In 2007 heeft appellant de MBO-opleiding Middenkader Bouwkunde met succes afgerond. Vervolgens heeft hij enige jaren de
HBO-opleiding Bouwkunde gevolgd, waarna hij van 25 oktober 2011 tot en met
30 november 2014 werkzaam is geweest bij twee werkgevers in de bouwsector. Met ingang van laatstgenoemde datum is appellant werkloos geworden en heeft hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen.

1.2.

Met ingang van 1 februari 2015 is appellant de vierjarige voltijds HBO-opleiding ICT gaan volgen aan de [naam school] te [plaatsnaam] . Bij besluit van 26 maart 2015 heeft het Uwv aan appellant ten behoeve van deze opleiding op grond van de Wet Overige
OCW-subsidies (WOOS) over de periode van 1 februari 2015 tot en met 31 augustus 2015 een vergoeding voor de kosten van een doventolk toegekend. Daarbij heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij na het studiejaar 2014-2015 geen recht meer heeft op een vergoeding op grond van de WOOS, omdat hij dan de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt. Het bezwaar van appellant gericht tegen deze mededeling is niet-ontvankelijk verklaard, omdat die niet op rechtsgevolg is gericht.

1.3.

Op 2 juli 2015 heeft appellant verzocht om verlenging van de aan hem toegekende vergoeding voor de kosten van een doventolk voor het studiejaar 2015-2016. Het Uwv heeft bij besluit van 29 juli 2015 afwijzend beslist op deze aanvraag, omdat uit artikel 19a, eerste lid, onder c, van de WOOS volgt dat deze voorziening slechts kan worden toegekend aan iemand jonger dan 30 jaar.

1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 2 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 juli 2015 ongegrond verklaard.

1.5.

Appellant heeft in 2016 wederom verzocht om een vergoeding voor de kosten van een doventolk voor het studiejaar 2016-2017. Het Uwv heeft bij besluit van 15 juni 2016 afwijzend beslist op deze aanvraag, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd. Bij de rechtbank Oost-Brabant is thans een procedure aanhangig over de vergoeding voor het studiejaar
2016-2017.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat in artikel 19a van de WOOS geen sprake is van een ontoelaatbaar onderscheid op grond van handicap en dat voor het uit dit artikel voortvloeiende onderscheid naar leeftijd sprake is van een redelijke en objectieve rechtvaardiging. Gelet op de doelstelling van de WOOS is volgens de rechtbank sprake van een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel zijn passend en noodzakelijk.

3.1.

Namens appellant is in hoger beroep wederom aangevoerd dat de leeftijdsgrens van
30 jaar in artikel 19a van de WOOS in strijd is met diverse internationale verdragen, waaronder het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap en Richtlijn 2000/78/EG inzake gelijke behandeling. Verder is verzocht om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de door appellant geleden schade als gevolg van het bestreden besluit.

3.2.

Bij brief van 25 november 2016 heeft het Uwv meegedeeld dat nader is besloten om voorzieningen op grond van de WOOS ook toe te kennen aan personen die 30 jaar of ouder zijn, voor zover zij studiefinanciering ontvangen op grond van de Wet studiefinanciering 2000.

3.3.

Bij herzieningsbeslissing van 6 februari 2017 heeft het Uwv, onder intrekking van het besluit van 15 juni 2016, appellant alsnog in aanmerking gebracht voor een vergoeding van de kosten van een doventolk voor de studiejaren 2016-2017 en 2017-2018. Uit een aan deze beslissing ten grondslag liggend rapport blijkt dat is vastgesteld dat appellant tot
1 september 2017 recht heeft op studiefinanciering.

3.4.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het Uwv bij brief van 11 mei 2017 meegedeeld dat deze procedure alleen betrekking heeft op het studiejaar 2015-2016, nu over de daarop volgende studiejaren naar aanleiding van een nieuwe aanvraag een afzonderlijk besluit is genomen, waarover een procedure aanhangig is bij de rechtbank. Verder staat inmiddels vast dat appellant over het studiejaar 2015-2016 recht had op een voorziening voor de vergoeding van de kosten van een doventolk. Nu appellant zich in dat studiejaar heeft moeten behelpen met een vertaalapp en tolkstagiaires acht het Uwv het te rechtvaardigen de voorziening toe te kennen voor een langere periode, dus ook voor het studiejaar 2017-2018, omdat een toekenning over het studiejaar 2015-2016 zou neerkomen op het aan appellant tegenwerpen dat hij toen geen kosten heeft gemaakt voor een professionele doventolk.

3.5.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv, nadat was vastgesteld dat appellant van de toegekende vergoeding van 600 uren doventolk voor het studiejaar 2016-2017 in verband met de late toekenning daarvan slechts ongeveer de helft heeft gebruikt, toegezegd dat het Uwv de toekenning van deze vergoeding zal verlengen tot februari 2019. Voorts heeft het Uwv meegedeeld dat als appellant in februari 2019 gevorderd is tot het laatste jaar van zijn studie, een aanvraag om verdere verlenging van de vergoeding – al dan niet op basis van een andere wettelijke regeling – met een open houding zal worden beoordeeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In het bestreden besluit heeft het Uwv niet nader omschreven op welk tijdvak de weigering van een vergoeding voor de kosten van een doventolk betrekking heeft. Er is slechts overwogen dat geen sprake kan zijn van een onderwijsvoorziening voor een student of leerling ouder dan 30 jaar. Nu het Uwv deze voorzieningen per studiejaar pleegt toe te kennen en het Uwv, naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van appellant, bij besluit van

15 juni 2016 voor het studiejaar 2016-2017 wederom heeft geweigerd een vergoeding voor de kosten van een doventolk toe te kennen, welke weigering heeft geleid tot een procedure aanhangig bij de rechtbank, moet geconcludeerd worden dat het bestreden besluit alleen betrekking heeft op het studiejaar 2015-2016 en dat de omvang van dit geding is beperkt tot dat studiejaar.

4.2.

Verder staat vast dat het Uwv het bestreden besluit niet langer handhaaft, omdat inmiddels is gebleken dat appellant over het studiejaar 2015-2016 in beginsel recht had op een vergoeding van de kosten van een doventolk voor het volgen van zijn studie. Het Uwv heeft vervolgens besloten om over dit studiejaar niet alsnog een vergoeding toe te kennen, omdat appellant toen geen gebruik heeft gemaakt – en heeft kunnen maken – van een professionele doventolk, maar om appellant op een andere wijze compensatie te bieden. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het besluit van 29 juli 2015 herroepen.

4.3.

Op het verzoek van appellant om schadevergoeding op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het volgende overwogen. Namens appellant is de gestelde schade als gevolg van het bestreden besluit omschreven als studievertraging. Nadere gegevens hierover zijn niet overgelegd en ook ter zitting is de schade niet nader geadstrueerd. Het is daarom op dit moment niet mogelijk om vast te stellen of, en zo ja in welke omvang, door appellant schade is geleden als gevolg van het bestreden besluit. Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen. Het ligt voor de hand dat het Uwv bij de verdere besluitvorming rond de aan appellant toe te kennen vergoeding voor de kosten van een doventolk vanaf september 2018 ook rekening houdt met door appellant aangetoonde schade als gevolg van het betreden besluit.

5. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar, in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 495,- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, op € 990,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 990,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.475,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 november 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 29 juli 2015;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.475,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en T.L. de Vries en
M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2017.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB