Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3216

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
14/7106 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens vervallen procesbelang. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/406

Uitspraak

14/7106 WIA

Datum uitspraak: 13 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

13 november 2014, 13/5324 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2015. Voor appellante is verschenen mr. Van Willigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Reith.

Het onderzoek is daarna heropend.

Het Uwv heeft op 20 november 2015 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.

Naar aanleiding van vragen van de Raad heeft het Uwv nadere stukken overgelegd.

Appellante heeft gereageerd op de nadere stukken.

Nadat het onderzoek weer was gesloten is het nogmaals heropend omdat het niet volledig is geweest. Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord en nogmaals nadere stukken overgelegd.

Appellante heeft daarop gereageerd.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is met ingang van 11 september 2006 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), laatstelijk vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 50,74%. Op 5 februari 2010 heeft appellante het Uwv gemeld dat haar gezondheid is verslechterd. In oktober 2011 is appellante herbeoordeeld in het kader van de Wet WIA. Het Uwv heeft bij besluit van 10 november 2011 de WIA-uitkering met ingang van 11 januari 2012 beëindigd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 12 juni 2012. Bij uitspraak van 13 december 2012 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juni 2012 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Bij besluit van 19 juni 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 november 2011 opnieuw ongegrond verklaard.

2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 5 maart 2014 (bestreden besluit 2) opnieuw beslist op het bezwaar van appellante en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 5 februari 2010 en 11 januari 2012 vastgesteld op 60,80%. Het Uwv heeft daarna te kennen gegeven dat de mate van arbeidsongeschiktheid dient te worden vastgesteld op 61,09%.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1
niet-ontvankelijk verklaard omdat dit geheel is vervangen door bestreden besluit 2 en appellante geen belang meer had bij de beoordeling van bestreden besluit 1. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Daartoe heeft zij overwogen dat een juiste vaststelling van het – eerder onjuist vastgestelde – maatmaninkomen en een eventuele aanpassing van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in de door appellante bepleite zin niet tot een andere arbeidsongeschiktheidsklasse zal leiden, omdat appellante niet heeft betwist dat ook met de door haar voorgestane FML de geselecteerde functies voor haar geschikt zijn. Voorts heeft de rechtbank bepalingen gegeven over griffierecht en proceskosten.

3.1.

Appellante kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen. Zij is van mening dat haar beperkingen niet volledig in de FML zijn weergegeven. Zij heeft gesteld belang te hebben bij een juiste vastlegging van haar beperkingen in de FML. Zo meent appellante er belang bij te hebben dat bij re-integratieactiviteiten de juiste beperkingen in aanmerking kunnen worden genomen. Tevens heeft zij gewezen op het belang van een juiste FML bij toekomstige procedures. De (eerdere) wijzigingen in de FML ten nadele van appellante zijn in strijd met het motiverings- en rechtszekerheidsbeginsel. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.2.

Het Uwv heeft bepleit de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv is van mening dat appellante geen actueel procesbelang heeft nu de juistheid van de FML in het midden kan worden gelaten, omdat de geschiktheid voor de geselecteerde functies niet ter discussie staat. Ook indien wordt uitgegaan van de volgens appellante ontbrekende beperkingen is zij geschikt te achten voor de functies en kan geen hogere mate van arbeidsongeschiktheid ontstaan.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Allereerst is aan de orde de vraag of het besluit van 20 november 2015 bij de beoordeling dient te worden betrokken, zoals bedoeld in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb. In dit besluit is het arbeidsongeschiktheidspercentage van 61,09, zoals laatstelijk berekend en al was meegedeeld in de procedure bij de rechtbank vastgelegd. Dit arbeidsongeschiktheids-percentage is niet in geschil, zodat partijen geen belang hebben bij een beoordeling daarvan. Dit besluit zal dan ook niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van een voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het hoger beroepschrift met het indienen van het hoger beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Daarbij heeft de Raad meermalen uitgesproken dat hij slechts is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:

327).

4.3.1.

Anders dan het Uwv heeft betoogd heeft appellante er belang bij dat haar arbeidsmogelijkheden op correcte wijze worden vastgelegd in een FML. Zij zijn immers relevant met het oog op de arbeidsintegratie van appellante. Dat ten tijde van het instellen van het hoger beroep geen procesbelang bestond wordt dan ook niet onderschreven.

4.3.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van vragen van de Raad de FML gewijzigd en daarin uiteindelijk alle volgens appellante ontbrekende beperkingen op de aspecten 6.1, 6.4, 4.10, 4.11 en 5.9 opgenomen. De medische situatie van appellante is verder niet in geschil en evenmin is in geschil de geschiktheid in medisch opzicht van appellante voor de functies. Het Uwv is volledig tegemoet gekomen aan wat appellante met dit hoger beroep wilde bereiken. Er bestaat dus niet langer een inhoudelijk geschil tussen partijen over de WIA-uitkering. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat het procesbelang is komen te vervallen.

5.1.

Appellante heeft voorts verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

5.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009

(ECLI:NL:CRVB:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak is verder overwogen dat de behandeling in de bestuurlijke fase ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van
€ 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.3.

Voorts is van belang dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 25 maart 2009 (ECLI:NL:CRVB:BH9991), in een geval waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat.

5.4.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift op 20 december 2011 tot de datum van deze uitspraak zijn (afgerond) 69 maanden verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn met 21 maanden is overschreden. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De overschrijding leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-.

5.5.

De Raad stelt vast dat de behandeling van het bezwaarschrift binnen zes maanden heeft plaatsgevonden. De eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 23 juli 2012 tot de uitspraak op 13 december 2012 bijna vijf maanden heeft geduurd. De hernieuwde behandeling door de rechtbank is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift op 30 juli 2013 en geëindigd met de aangevallen uitspraak op
13 november 2014, waarmee de rechtbank in deze fase de behandelingsduur van anderhalf jaar evenmin heeft overschreden. De behandeling bij de Raad is aangevangen met de ontvangst van het hoger beroepschrift op 24 december 2014 en eindigt heden met deze uitspraak. De behandeling bij de Raad heeft dus meer dan twee jaar in beslag genomen, terwijl de behandeling door rechtbank en Raad tezamen meer dan 42 maanden heeft geduurd, namelijk 50 maanden. Afgezet tegen 42 maanden levert dit een overschrijding van 8 maanden op in de rechterlijke fase, die, zoals in 5.1 overwogen, niet voor rekening komt van het Uwv maar van de Staat (zie ook ECLI:NL:CRVB:2010:BM1174).

5.6.

Voor de berekening van het bedrag van de schadevergoeding dat voor rekening komt van het Uwv onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van

€ 762,- (8/21 deel van € 2.000,-). Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag € 1.238,- (13/21 deel van € 2.000,-).

6. Appellante heeft bij haar hoger beroepschrift voorts een verzoek gedaan om materiële schadevergoeding, wat zij niet heeft onderbouwd zodat het wordt verstaan als een verzoek om wettelijke rente indien zou blijken dat een te lage uitkering is betaald. Daarvan is geen sprake, zodat het verzoek wordt afgewezen.

7. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep (2,5 punten à € 495,-) en de kosten van bezwaar (2 punten), dus in totaal
€ 2.227,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 762,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.238,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.227,50;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
€ 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en B.M. van Dun en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. Smit-de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) M.D.F. Smit-de Moor

AB