Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
14/247 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-uitkering terecht herzien. Beroep op het arrest Korošec(ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212) faalt. Deugdelijke medische grondslag. Geschiktheid van de geduide functies is in voldoende mate aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2017-0223

Uitspraak

14/247 WAO

Datum uitspraak: 8 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
5 december 2013, 13/4602 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nog stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Cornelisse en het Uwv door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 15 februari 2013 (gecorrigeerd op 20 februari 2013) heeft het Uwv de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant met ingang van 16 april 2013 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit besluit berust op een rapport van een verzekeringsarts van het Uwv van
4 januari 2013. De verzekeringsarts heeft de voor appellant in aanmerking te nemen beperkingen vastgelegd in een Kritische Functionele Mogelijkhedenlijst (KFML) van
4 januari 2013. Op basis van de KFML heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 21,40%.

1.2.

Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van
13 juni 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv van 12 juni 2013, waarin de KFML van 4 januari 2013 is gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Na een gedetailleerde beschrijving te hebben gegeven van het onderzoek van de verzekeringsartsen heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om te oordelen dat de verzekeringsartsen onvolledig zijn geweest in hun onderzoek of dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Hiertoe heeft zij overwogen dat de primaire verzekeringsarts op grond van dossierstudie en eigen onderzoek heeft gerapporteerd dat bij appellant sprake is van aspecifieke chronische rugklachten, een dysthyme stoornis en knieklachten, dat sinds de laatste beoordeling van 25 augustus 2008 geen nieuwe medische feiten zijn opgetreden en er zich ten aanzien van de bekende problematiek geen relevante ontwikkelingen hebben voorgedaan, ook niet met betrekking tot de psychische klachten van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naast dossierstudie eigen aanvullend verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beschikbare medische informatie, waaronder de brief van psychiater F. Kaya van
20 december 2012, in zijn beoordeling meegenomen en mee laten wegen in zijn rapport. Gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens is de rechtbank van oordeel dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van zijn arbeidsvermogen niet onjuist heeft ingeschat. Bij haar oordeel heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de door appellant geclaimde verdergaande klachten en de noodzaak tot het toepassen van een urenbeperking niet zijn onderbouwd met nadere medische stukken. Met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen moet appellant in staat worden geacht de geduide functies, zoals vermeld in het rapport van de arbeidsdeskundige van
30 januari 2013, te vervullen, nu de daaraan verbonden belasting blijft binnen de voor appellant vastgestelde beperkingen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak bestreden en verwezen naar de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hoewel de in het dossier aanwezige informatie van de behandelende sector betrokken is bij de medische beoordeling, hieruit niet volgt dat de vaststelling van zijn medische belastbaarheid door het Uwv juist is. Appellant ondervindt ten gevolge van zowel lichamelijke als psychische klachten aanzienlijke beperkingen. Met name op grond van zijn depressieve klachten, waarvoor hij langdurig psychiatrisch is behandeld, komt hij tot niets. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte nagelaten een onafhankelijk psychiater als deskundige te benoemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een rapport van psychiater
dr. H.L.S.M. Busard van 9 november 2016 overgelegd. Ten slotte is appellant van mening dat de geselecteerde functies zijn belastbaarheid overschrijden.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

3.3.

Ter zitting heeft appellant een beroep gedaan op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212; Korošec). Appellant heeft daarbij een beroep gedaan op ‘equality of arms’.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, heeft de Raad de uitgangspunten uiteengezet voor de toetsing door de bestuursrechter van de beoordeling door verzekeringsartsen van het Uwv. Het beroep van appellant op het arrest Korošec is aanleiding te oordelen over de in die uitspraak onderscheiden stappen omtrent de zorgvuldigheid van de besluitvorming, omtrent de ‘equality of arms’ en omtrent de inhoudelijke beoordeling.

4.2.

De verzekeringsartsen hebben een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de psychische klachten van appellant. Zij hebben appellant onderzocht en hebben de beschikking gehad over informatie uit de behandelend sector. Voor wat betreft de zorgvuldigheid van het onderzoek wordt tevens in overweging genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 12 juni 2013 en 20 december 2016 heeft gereageerd op de door appellant overgelegde medische gegevens en naar voren gebrachte gronden.

4.3.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat sprake zou zijn van een oneerlijk proces en strijd met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Er is geen reden om aan te nemen dat appellant belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt dat het Uwv zijn (psychische) beperkingen heeft onderschat. Appellant heeft in hoger beroep immers een rapport van psychiater Bussard overgelegd. Deze arts heeft ook de beperkingen van appellant beschreven.

4.4.

Tussen partijen is in geding of het Uwv de belastbaarheid van appellant op de datum in geding juist heeft vastgesteld en of de in het arbeidskundig onderzoek voor appellant geselecteerde functies uit medisch opzicht geschikt voor hem zijn.

4.4.1.

Wat betreft de verzekeringsgeneeskundige kant van de besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 juni 2013, waarin deze verzekeringsarts op basis van dossierstudie, nadere informatie van de behandelend psychiater Kaya van 20 december 2012, de aanwezigheid op de hoorzitting en eigen medisch onderzoek de conclusie van de primaire verzekeringsarts heeft onderschreven. De primaire verzekeringsarts heeft in het rapport van 4 januari 2013 te kennen gegeven dat bij appellant sprake is van een consistent beeld van aspecifieke chronische rugklachten, een dysthyme stoornis en knieklachten. Sinds de laatste medische beoordeling van 25 augustus 2008 zijn er ten aanzien van de fysieke klachten geen nieuwe medische feiten opgetreden en hebben zich ook geen relevante ontwikkelingen voorgedaan. Ook met betrekking tot de psychische klachten zijn er geen argumenten om een gewijzigde belastbaarheid aan te nemen. In 2008 was appellant bij verschillende instellingen in behandeling. Gesproken werd van stemmingsproblematiek en bepaalde persoonlijkheidskenmerken zonder dat van een specifieke stoornis gesproken kon worden. Bij eigen onderzoek is er in grote lijnen sprake van dezelfde problematiek als voorheen. Op grond hiervan is het bestaan van enige (blijvende) beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren aannemelijk, terwijl de actuele onderzoeksbevindingen zeker niet wijzen op een toename van beperkingen. Er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het Uwv in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid. Met betrekking tot het rapport van psychiater Busard van 9 november 2016 kan de Raad zich vinden in wat daarover door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overwogen in zijn rapport van 20 december 2016. Het komt erop neer dat de in het rapport van Busard beschreven onderzoeksbevindingen voor een groot deel geen bevindingen maar interpretaties zijn, waarbij geen of een niet traceerbare relatie wordt gelegd met eigen waarnemingen, zakelijk beschreven en vastgesteld, of met bestaande vaststaande feiten. De Raad onderschrijft de kritiek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat psychiater Busard niet objectiveert op basis van welke medische gronden meer beperkingen moeten worden aangenomen dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan. Dat sprake is van angst als prominent negatieve emotie wordt niet bevestigd in de bevindingen van de behandelaars en in de bevindingen en eigen onderzoek van de verzekeringsarts. Tevens is de fysieke pathologie van appellant bekend. Hiervoor zijn ook beperkingen vastgesteld. Aanleiding voor een urenbeperking is er niet conform de standaard ‘verminderde arbeidsduur’ (LISV januari 2000). De Raad onderschrijft ook op dit laatste punt het oordeel van de rechtbank.

4.4.2.

Aangezien het onderzoek volledig is geweest, er voldoende informatie van de behandelaars van appellant voorhanden is en er geen twijfel bestaat aan de juistheid van KFML van 4 januari 2013, is er geen reden voor het raadplegen van een medisch deskundige. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

4.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, de geschiktheid van de functies in voldoende mate is aangetoond, wordt eveneens onderschreven. Daarin wordt verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 30 januari 2013, waarin is vastgesteld dat de aan de geduide functies verbonden belastingen binnen de voor appellant vastgestelde beperkingen blijven.

4.6.

De overwegingen 4.2 tot en met 4.5 leiden tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
8 september 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

NW