Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3207

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
21-09-2017
Zaaknummer
14/2283 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-vervolguitkering terecht herzien. Op basis van het rapport van de door de Raad geraadpleegde deskundige wordt geconcludeerd dat de verzekeringsarts de beperkingen van appellant die voortvloeien uit zijn cardiale juist heeft vastgesteld. Geen indicatie dat met de FML de extra beperkingen van appellant als gevolg van zijn rugklachten niet juist zijn gewaardeerd. De geduide functies zijn in medisch opzicht passend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2283 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
27 februari 2014, 13/570 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

Datum uitspraak: 13 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een aanvullend stuk ingediend.

De Raad heeft cardioloog prof. dr. J.W. Deckers als deskundige benoemd. Deze heeft op
1 februari 2017 een rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft gereageerd op het rapport van de deskundige en aanvullende stukken ingediend.

Appellant heeft geen zienswijze ingediend naar aanleiding van het rapport van de deskundige. Wel heeft hij gereageerd op de door het Uwv ingediende aanvullende stukken.

Naar aanleiding van het verzoek van betrokkene om schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt voor wat betreft het aandeel van de bestuursrechter hierin.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koekkoek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is vanaf 1999 werkzaam geweest als productiemedewerker bij een bakkerij. Op 12 december 2005 is hij uitgevallen met hartklachten. Met ingang van 10 december 2007 is aan hem een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Deze uitkering liep tot 10 december 2009. Vanaf die datum is aan appellant een WGA‑loonaanvullingsuitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Op 15 november 2012 heeft appellant verzocht om een herbeoordeling. Hij heeft daarbij te kennen gegeven volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn en een IVA-uitkering te willen ontvangen. Naar aanleiding van dit verzoek van appellant hebben een medische en een arbeidskundige beoordeling plaatsgevonden, resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van 37,39%. Bij besluit van 11 januari 2013 heeft het Uwv besloten dat de WGA-loonaanvullingsuitkering van appellant tot 1 februari 2015 onveranderd gebaseerd blijft op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, maar dat dit met ingang van
1 februari 2015 – 24 maanden na de maand waarin de herbeoordeling heeft plaatsgevonden – 37,39% zal worden. Vanaf dat moment zal ook een inkomenseis gelden van € 909,07.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 januari 2013. Bij beslissing op bezwaar van 12 juni 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant gegrond verklaard en bestreden besluit 1 vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, omdat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in de beroepsfase is aangepast en bestreden besluit 1 alsnog van een deugdelijke arbeidskundige grondslag is voorzien. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de medische beoordeling zorgvuldig is geweest en dat door appellant geen medische informatie is ingebracht waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv een onjuist beeld hebben gehad van de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de voor appellant vastgestelde belastbaarheid. Hiervan uitgaande heeft de rechtbank de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt geacht.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 door de rechtbank. Hij heeft betoogd meer beperkt te zijn dan door het Uwv is aangenomen, waarbij hij met name heeft gewezen op zijn hartklachten. Appellant heeft zijn – ook al bij het verzoek om herbeoordeling geuite – standpunt gehandhaafd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en daarom in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Allereerst moet de vraag worden beantwoord wat de voor bestreden besluit 1 te beoordelen datum of periode is. Het Uwv heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 10 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1786) betoogd dat alleen de situatie op
1 februari 2013 moet worden beoordeeld, terwijl volgens appellant in dat kader de gehele periode van 1 februari 2013 tot en met 1 februari 2015 moet worden beoordeeld.

4.2.

Zowel in het primaire besluit van 11 januari 2013 als in bestreden besluit 1 heeft het Uwv te kennen gegeven dat de uitkering van appellant met ingang van 1 februari 2015 niet langer zal worden gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, maar op een mate van arbeidsongeschiktheid van 37,39%. Het Uwv heeft daarbij geen enkel voorbehoud gemaakt, bijvoorbeeld door een toevoeging als “bij overigens gelijkblijvende omstandigheden.” Naar het Uwv ter zitting desgevraagd te kennen heeft gegeven, heeft het Uwv voorts ten aanzien van de situatie op 1 februari 2015 geen nader besluit afgegeven, terwijl het Uwv feitelijk wel heeft gehandeld in overeenstemming met het voorgaande door de uitkering vanaf die datum te baseren op een mate van arbeidsongeschiktheid van 37,39% en appellant, omdat hij niet voldeed aan de in bestreden besluit 1 neergelegde inkomenseis, een WGA-vervolguitkering te verstrekken. Onder deze omstandigheden kan het standpunt van het Uwv dat alleen de situatie op 1 februari 2013 moet worden beoordeeld niet worden gevolgd en wordt geoordeeld dat de gehele periode van 1 februari 2013 tot en met 1 februari 2015 moet worden beoordeeld.

4.3.

Het Uwv heeft naar aanleiding van het rapport van de deskundige laten weten geen aanleiding te zien om meer of andere beperkingen aanwezig te achten dan eerder aangenomen. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 maart 2017. Het Uwv heeft daaraan toegevoegd dat appellant inmiddels melding heeft gemaakt van een verslechtering van zijn gezondheid met ingang van 25 januari 2015 in verband met rugklachten. In verband daarmee is de situatie van appellant medisch en arbeidskundig opnieuw beoordeeld. De uitkomst daarvan is geweest dat appellant met ingang van 25 januari 2015 48,16% arbeidsongeschikt is geacht en dat zijn
WGA-vervolguitkering met ingang van 1 april 2015 – twee maanden na de wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid – is gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De inkomenseis is met ingang van 1 april 2015 gesteld op € 759,47. Dit is neergelegd in een besluit van 16 april 2015 (bestreden besluit 2). Het Uwv heeft dit besluit en de onderliggende rapporten overgelegd.

4.4.

Zoals in 4.2 geconcludeerd moet, gelet op bestreden besluit 1, de gehele periode van
1 februari 2013 tot en met 1 februari 2015 worden beoordeeld. Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv blijk gegeven van een gewijzigd standpunt ten aanzien van het laatste gedeelte van deze periode, lopend van 25 januari 2015 tot 1 februari 2015. Bestreden besluit 2 wijzigt zo bestreden besluit 1. Bestreden besluit 2 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, daarom mede in de beoordeling betrokken. Met dit besluit is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vanaf 25 januari 2015 is gewijzigd in 48,16% en dat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% de hoogte van diens WGA-vervolguitkering vanaf 1 april 2015 35% van het minimumloon bedraagt. De voor bestreden besluit 2 te beoordelen periode loopt daarom van 25 januari 2015 tot en met
1 april 2015. Nu appellant heeft gesteld volledig (en duurzaam) arbeidsongeschikt te zijn is met dit besluit niet volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant.

4.5.

Vastgesteld wordt dat het Uwv, zoals uit 4.3 blijkt, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 25 januari 2015, dus – zij het weliswaar: kort – vóór 1 februari 2015 heeft gesteld op een hoger percentage dan het percentage van 37,39 uit bestreden besluit 1. Dat het Uwv hieraan in het besluit van 16 april 2015 pas gevolgen voor de uitkering heeft verbonden met ingang van 1 april 2015 maakt dit niet anders. Dit vloeit voort uit de artikelen 61, zevende lid, en 62, vierde lid, van de Wet WIA, waaruit volgt dat de uitkering pas wordt herzien nadat een wijziging in de mate van arbeidsongeschiktheid ten minste twee kalendermaanden heeft voortgeduurd. Nu het Uwv zijn standpunt over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant, zoals dat is neergelegd in bestreden besluit 1, vanaf
25 januari 2015 heeft verlaten, moet worden geconcludeerd dat de rechtbank reeds om die reden de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 ten onrechte in stand heeft gelaten voor zover het gaat om de periode van 25 januari 2015 tot 1 februari 2015.

4.6.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Het deskundigenrapport van Deckers geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. Alle beschikbare gegevens van de behandelaars van appellant zijn door hem bij de beoordeling betrokken, hij heeft appellant zelf onderzocht en het rapport is inzichtelijk en consistent. Deckers komt in zijn rapport tot de conclusie dat in februari 2013 en februari 2015 sprake was van een normaal – sinusaal – hartritme. De hartfunctie was goed, misschien licht verminderd. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 10 juni 2013 en 17 september 2013 aangenomen beperkingen heeft Deckers aangemerkt als niet onredelijk. De door de behandelend cardioloog in 2013 genoemde mogelijkheid van een inappropriate sinus rythm heeft hij gekenschetst als een gelegenheidsdiagnose die in latere rapportages niet is teruggekeerd. De hartfrequentie was volgens hem bij het inspanningsonderzoek op 3 juni 2013 niet extreem abnormaal. Over de inspanningsonderzoeken van 3 juni 2013 en 6 november 2014 heeft Deckers gesteld dat het daarbij gemeten inspanningsvermogen op 3 juni 2013 van 190 Watt normaal was, maar dat dit op 6 november 2014 met 110 Watt duidelijk lager was. Deckers vond de discongruentie tussen beide testen opvallend, omdat zich in de tussentijd geen nieuwe cardiale ontwikkelingen hadden voorgedaan. Hij heeft de matige belastbaarheid in november 2014 aangemerkt als sterk subjectief; een hogere belastbaarheid had volgens hem op cardiale gronden normaal gesproken mogelijk moeten zijn. Hij heeft het inspanningsvermogen van appellant op geschat op 160 Watt. Waarschijnlijk was op 6 november 2014 geen sprake van een maximale test.

4.7.

Op basis van het rapport van Deckers wordt geconcludeerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen van appellant die voortvloeien uit zijn cardiale situatie in de rapporten van 10 juni 2013 en 17 september 2013 juist heeft vastgesteld. Vanuit cardiaal perspectief bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de in de beroepsfase door het Uwv ingebrachte aangepaste FML van 7 september 2013. Zoals echter in 4.3 beschreven is de gezondheid van appellant als gevolg van rugklachten met ingang van
25 januari 2015 verslechterd. Hiermee moet ook rekening worden gehouden. Gelet hierop kan de FML van 7 september 2013 niet van toepassing worden geacht voor zover het gaat om de periode van 25 januari 2015 tot en met 1 februari 2015. Voor deze periode wordt uitgegaan van de FML van 11 maart 2015, die ten grondslag heeft gelegen aan bestreden besluit 2 en waarop is vermeld dat deze geldig is vanaf 25 januari 2015. De stukken bevatten geen indicatie dat met deze FML de extra beperkingen van appellant als gevolg van zijn rugklachten niet juist zijn gewaardeerd.

4.8.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 7 september 2013 voor de periode van
1 februari 2013 tot 25 januari 2015 en van de FML van 11 maart 2015 voor de periode van
25 januari 2015 tot en met 1 april 2015 gaan de aan appellant voor de eerste periode voorgehouden functies van productiemedewerker (SBC-code 111180), boekhouder (SBC‑code 315040) en administratief medewerker (SBC-code 315090) en voor de tweede periode voorgehouden functies van wikkelaar (SBC-code 267050), machinebediende (SBC‑code 271093) en administratief medewerker (SBC-code 315090), de beperkingen van appellant niet te boven. Deze functies zijn dan ook in medisch opzicht passend. Hiervan uitgaande was appellant in de periode van 1 februari 2013 tot 25 januari 2015 37,39% arbeidsongeschikt en in de periode van 25 januari 2015 tot en met 1 april 2015 was hij 48,16% arbeidsongeschikt. Van volledige (en duurzame) arbeidsongeschiktheid was in beide perioden geen sprake.

4.9.

Wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.8 leidt tot de conclusie dat de rechtbank voor zover het gaat om de periode van 1 februari 2013 tot 25 januari 2015 terecht de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde bestreden besluit 1 in stand heeft gelaten. Dit geldt echter niet voor de periode van 25 januari 2015 tot 1 februari 2015. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellant. Voor deze periode moet, in overeenstemming met bestreden besluit 2, worden uitgegaan van een mate van arbeidsongeschiktheid van 48,16%.

4.10.

Aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid van 48,16% vanaf 25 januari 2015 tot en met 1 april 2015 heeft voortgeduurd, is op grond van de artikelen 61, zevende lid, en 62, vierde lid, van de Wet WIA de hoogte van de WGA-vervolguitkering van appellant terecht per 1 april 2015 herzien naar 45 tot 55%. Het beroep tegen bestreden besluit 2 slaagt dan ook niet. Dit beroep zal ongegrond worden verklaard.

5. Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM wordt het volgende overwogen.

5.1.

In het geval van appellant zijn vanaf de ontvangst door het Uwv op 24 januari 2013 van het tegen het besluit van 11 januari 2013 ingediende bezwaarschrift tot de datum van deze uitspraak ruim viereneenhalf jaar verstreken. In de zaak zelf, noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met ruim een halfjaar overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.

5.2.

Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv minder dan een half jaar geduurd. Er is dus geen overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de bestuursrechter toe te rekenen. De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 1.000,-.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 juni 2013 in stand heeft gelaten over de periode van
    25 januari 2015 tot en met 1 februari 2015;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 16 april 2015 ongegrond;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 1.000,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 990,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E. Dijt en
G.A.J. van den Hurk als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) J.W.L. van der Loo

NW