Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3204

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
16/4125 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag arbeidsondersteuning op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Voor het raadplegen van een deskundige bestaat geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/4125 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

19 april 2016, 15/5176 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 6 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.G. Voets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2017. De zaak is gezamenlijk behandeld met de zaken met kenmerk 16/1336, 16/1764 en 16/3343. In deze zaak is namens appellante verschenen mr. Voets. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. E. van Hilten en mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voor de leesbaarheid van de uitspraak het volgende voorop.

Op 1 januari 1998 is in werking getreden de Wet van 24 april 1997 (Stb. 1997, 177) houdende voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten. Volgens artikel 79 van die wet was de citeertitel van de wet: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. De Raad duidt deze wet aan als Wajong 1998. Bij de Wet van 3 december 2009 (Stb. 2009, 582) is de Wet van 24 april 1997 met ingang van 1 januari 2010 gewijzigd en is de tekst vernummerd. Volgens artikel 8:12 was de citeertitel van de gewijzigde wet: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. De Raad duidt deze met ingang van 1 januari 2010 gewijzigde wet aan als Wajong 2010.

Bij de Wet van 3 december 2014 (Stb. 2014, 495) is de Wet van 24 april 1997 met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd. Zo is een aantal artikelen gewijzigd en is Hoofdstuk 1A toegevoegd. Volgens artikel 8:12 is ook de citeertitel gewijzigd in: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorzie-ning jonggehandicapten. De Raad duidt deze met ingang van 1 januari 2015 gewijzigde wet aan als Wajong 2015.Voor zover het verschil in tekst van de Wajong 1998, de Wajong 2010 en de Wajong 2015 niet relevant is, wordt hierna de Wajong zonder jaaraanduiding genoemd.

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 1994, heeft met een op 17 september 2014 door het Uwv ontvangen formulier een aanvraag ingediend om arbeids- en inkomensondersteuning op grond van Hoofdstuk 2 van de Wajong 2010. Daarbij is vermeld dat bij appellante sprake is van de ziekte Multiple Sclerose (MS), waardoor sprake is van oog- en duizeligheidsklachten, de stollingsstoornis Idiopathische Trombocytopenisch Purpura (ITP), slechthorendheid en psychische problematiek als gevolg van een in de jeugd doorgemaakt trauma.

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv in zijn rapport van 7 november 2014 geconcludeerd dat geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid en dat appellante om die reden niet voor een Wajong-uitkering in aanmerking komt.

1.3.

In lijn daarmee heeft het Uwv bij besluit van 13 november 2014 de aanvraag om arbeidsondersteuning afgewezen omdat appellante niet aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor arbeidsondersteuning op grond van de Wajong 2010.

1.4.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij met ingang van haar zeventiende verjaardag als verdergaand beperkt moet worden aangemerkt heeft appellante medische informatie overgelegd. Nadat de verzekeringsarts desgevraagd nadere informatie van de huisarts van 8 april 2015 had verkregen, heeft de verzekeringsarts alsnog de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 april 2015. Aansluitend heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv vastgesteld dat appellante beschikt over participatiemogelijkheden. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft in zijn rapport van 2 juli 2015 aanvullende beperkingen opgenomen in de categorie persoonlijk functioneren en geconcludeerd dat appellante aangewezen is op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en dat geen sprake mag zijn van een hoog handelingstempo, noch van een verhoogd persoonlijk risico. Verder mogen in het werk geen hoge eisen gesteld worden aan de visus en moet het werken met scherpe voorwerpen worden vermeden vanwege het risico van bloedingen bij stoten. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft een door de arbeidsdeskundige geselecteerde functie laten vervallen en een drietal nieuwe functies geselecteerd. Appellante is op basis daarvan in staat geacht om ten minste 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen.

1.5.

Bij besluit van 20 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van
13 november 2014 gehandhaafd. Daaraan ligt ten grondslag het standpunt dat gelet op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen sprake is van een situatie waarin appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De aanvraag is ingediend op 16 september 2014. Omdat appellante niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is bevonden, betekent dit dat het eventuele recht op arbeidsondersteuning op grond van de Wajong 2010 zestien weken na de dag waarop de aanvraag is ingediend ingaat, dus met ingang van 7 januari 2015. Met ingang van
1 januari 2015 is de Participatiewet in werking getreden. Voorwaarde om na die datum nog in aanmerking te komen voor arbeidsondersteuning op grond van Wajong 2010 is dat sprake moet zijn van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Daarvan is geen sprake. Dat betekent dat de beslissing dat appellante niet in aanmerking komt voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wajong 2010 wordt gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

2.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het medische onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. Het Uwv heeft gemotiveerd toegelicht dat de vastgestelde belastbaarheid geldig was op datum aanvraag, 17 september 2014. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door appellante naar voren gebrachte klachten volgens de rechtbank kenbaar meegewogen en heeft het Uwv ook de in beroep overgelegde informatie van de behandelende sector bij de beoordeling betrokken. De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de – naar de datum van aanvraag geactualiseerde – FML van 19 januari 2016 en heeft evenmin reden gezien voor het raadplegen van een onafhankelijk deskundige.

2.2.

Verder heeft de rechtbank appellante in staat geacht de door het Uwv voorgehouden functies te vervullen. De rechtbank heeft in de omstandigheid dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep eerst in beroep een van de geselecteerde functies heeft laten vervallen wegens de beperking voor de visus en een nieuwe functie heeft geselecteerd aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren met in stand lating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Verder heeft de rechtbank beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep naast de eerder ingediende gronden gesteld dat zij tot
1 januari 2015 studerende is geweest, zodat zij ook uit dien hoofde tot een half jaar na die datum aanspraak op een Wajong-uitkering kan maken. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij om medische redenen niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. Appellante heeft ten slotte de Raad verzocht een onafhankelijk deskundige te raadplegen.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Allereerst wordt vastgesteld dat het gaat om een aanvraag om arbeidsondersteuning, bij het Uwv ingekomen op 17 september 2014 en daarmee in de periode nà 10 september 2014 en vòòr 1 januari 2015. Met verwijzing naar onder meer overwegingen 4.3.1 en verder van zijn uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2994, komt appellante alleen voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wajong 2010 in aanmerking, als zij ten tijde van haar aanvraag als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als bedoeld in artikel 2:4 van de Wajong 2010 kan worden beschouwd.

4.2.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of appellante op de datum van aanvraag van de arbeidsondersteuning als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt en – bij bevestigende beantwoording van die vraag – of die volledige arbeidsongeschiktheid duurzaam is.

4.3.

De medische grondslag van het bestreden besluit is gebaseerd op de rapporten van de verzekeringsarts van 7 november 2014 en 14 april 2015 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 juli 2015, 19 januari 2016, 12 april 2016 en van 14 oktober 2016. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de onderzoeken door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig en volledig zijn geweest. De overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Dit op grond van het volgende.

4.4.

Ten aanzien van de MS wordt vastgesteld dat het Uwv in de FML van 19 januari 2016 een beperking heeft aangenomen op beoordelingspunt 1.9.9 (persoonlijk risico) wegens duizeligheid en voor de visus. Uit de in beroep overgelegde informatie van de neuroloog blijkt dat appellante in april 2014 een terugval heeft gehad van de MS en goed op medicatie heeft gereageerd en dat vervolgens eerst in januari 2015 weer sprake is geweest van een toename van klachten. In de beschikbare medische gegevens zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het standpunt dat met de in de FML vastgestelde beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante rond 17 september 2014.

4.5.

Met de problematiek van slechthorendheid heeft het Uwv rekening gehouden door in de FML een beperking op te nemen in de FML op beoordelingspunt 2.2. Ook de stollingsziekte is bij het vaststellen van de belastbaarheid meegewogen en aanleiding geweest een beperking aan te nemen in de FML, op beoordelingspunt 3.9.4 (stoten). Dat uit deze medische problematiek verdergaande beperkingen voortvloeien, is niet gebleken.

4.6.

Wat betreft de psychische problematiek wordt overwogen dat de behandeling bij Indigo in september 2015 is gestart, nagenoeg een jaar na de datum in geding. De omstandigheid dat appellante zich in verband met haar psychische klachten onder behandeling heeft gesteld maakt de beoordeling van de belastbaarheid van appellante op 17 september 2014 niet anders. In de door appellante in beroep overgelegde medische informatie zijn geen aanwijzingen gevonden voor het standpunt dat het Uwv de belastbaarheid van appellante op
17 september 2014 heeft overschat.

4.7.

De rechtbank heeft met juistheid ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Overwogen wordt dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is gebaseerd op de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van
7 juli 2015, van 3 maart 2016 en van 17 oktober 2016. In beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een van de voorgehouden functies in verband met de beperkingen voor de visus laten vallen en een nieuwe functie (de productiemedewerker textiel, geen kleding, met Sbc-code 272043) aan de schatting ten grondslag gelegd, op grond waarvan appellante ongewijzigd in staat is geacht om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

4.8.

Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de voorgehouden functies niet passend zijn. De toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 17 oktober 2016 wordt niet onjuist geacht. Wat betreft de functie van medewerker tuinbouw wordt overwogen dat blijkens de functiebelasting niet in koude behoeft te worden gewerkt, zodat appellante tot het vervullen van deze functie in staat wordt geacht.

4.9.

De Raad komt gezien overwegingen 4.1 tot en met 4.8 tot de slotsom dat de rechtbank op goede gronden het standpunt van het Uwv heeft bevestigd. Het Uwv heeft de aanvraag om arbeidsondersteuning terecht afgewezen op de grond dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Voor het raadplegen van een deskundige bestaat geen aanleiding. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017.

(getekend) M. Greebe

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

AB