Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:32

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2017
Datum publicatie
10-01-2017
Zaaknummer
16/2533 Wajong
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Termijnoverschrijding. Geen feiten of omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2533 Wajong

Datum uitspraak: 6 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

19 april 2016, 15/4211 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en bij brieven van 8 november 2016 (met bijlagen),

18 november 2016 en 25 november 2016 zijn standpunt nader uiteengezet.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1965, ontvangt in verband met psychiatrische klachten sinds 26 september 1994 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Deze uitkering wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vanaf 1 januari 2008 ontvangt appellant een toeslag op zijn Wajong-uitkering.

1.2.

Bij besluit van 27 mei 2015 heeft het Uwv appellant een waarschuwing gegeven op de grond dat appellant zijn werkzaamheden bij de [naam werkgever] in de periode van

15 september 2014 tot en met 16 november 2014 te laat heeft doorgegeven.

1.3.

Appellant heeft bij brief van 20 september 2015 bezwaar gemaakt tegen een aantal in zijn brief genoemde en bij zijn brief gevoegde besluiten van het Uwv.

1.4.

Bij brief van 2 oktober 2015 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat het bezwaarschrift nog niet in behandeling kan worden genomen omdat voor het Uwv niet duidelijk is tegen welke beslissingen appellant bezwaren heeft. Hij is daarbij verzocht om uiterlijk op

30 oktober 2015 zijn bezwaarschrift compleet te maken. Bij brief van 6 oktober 2015 heeft appellant op de brief van het Uwv gereageerd.

1.5.

Bij het besluit van 19 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaarschrift niet inhoudelijk beoordeeld. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat de rapporten, e-mailberichten, Functionele Mogelijkhedenlijsten (FML’en), reacties op klachten, Werkplan, re-integratieplan en de andere stukken geen besluiten zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat appellant daartegen geen bezwaar kan maken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Bij de vraag of de door appellant in zijn (aanvullend) bezwaarschrift aangehaalde rapporten van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) van verweerder in het kader van de Wajong, de door de verzekeringsartsen opgestelde FML’en, de e-mailberichten, de voortgangsrapportage van

24 september 2012, de eindrapportage toeleiding van 23 oktober 2013, de reacties op de klachten, het ZMP Protocol en de andere door appellant genoemde documenten, besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepalend of genoemde documenten zijn gericht op een zelfstandig rechtsgevolg. De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor vermelde documenten niet kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, omdat die documenten geen concrete rechtsgevolgen voor eiser in het leven roepen. Dit betekent dat appellant tegen die documenten niet het rechtsmiddel van bezwaar heeft kunnen aanwenden. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant, voor zover gericht tegen de hiervoor genoemde documenten, volgens de rechtbank dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor zover het bezwaar van appellant is gericht tegen het Werkplan Wajong van 15 november 2011 en het re-integratieplan van 22 december 2011, heeft de rechtbank vooropgesteld dat deze, gelet op de inhoud daarvan, ieder afzonderlijk wel als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb moeten worden aangemerkt. Zowel in het re-integratieplan als in het Werkplan Wajong zijn uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen uitgewerkt, zodat daarmee is beoogd een zelfstandig rechtsgevolg in het leven te roepen. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat het door appellant ingediende bezwaarschrift van 20 september 2015 voor zover gericht tegen het Werkplan Wajong van

15 november 2011 en het re-integratieplan van 22 december 2011 ruimschoots na afloop van de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn van zes weken is ingediend. In wat appellant heeft aangevoerd is volgens de rechtbank geen grond gelegen om de overschrijding van de bezwaartermijn met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om tijdig bezwaar te maken tegen het Werkplan Wajong en het re-integratieplan.

3.1.

Onder verwijzing naar wat hij in beroep heeft aangevoerd, heeft appellant zich, kort samengevat, in hoger beroep met de volgende standpunten tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant ziet geen enkele grond waarom zijn klacht tegen het Uwv niet inhoudelijk behandeld kan worden. Hij ziet voorts niet in waarom de door hem in het bezwaarschrift genoemde documenten niet gericht zijn op rechtsgevolg. Met betrekking tot het Werkplan Wajong en het re-integratieplan is hij nooit gewezen op het feit dat hij daartegen bezwaar kon indienen. Appellant doet een beroep op een tweetal arresten van de Hoge Raad waarin verjaring is gestuit op grond van het feit dat desbetreffende persoon zelf niet in staat was actie te ondernemen. Tot slot verzoekt appellant om schadevergoeding.

3.2.

Het Uwv kan zich volledig vinden in de aangevallen uitspraak en heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De rechtbank heeft allereerst terecht geoordeeld dat de door appellant in bezwaar aangehaalde rapporten van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep), de door de verzekeringsartsen opgestelde FML’en, de e-mailberichten, de voortgangsrapportages van

24 september 2012, de eindrapportage toeleiding van 23 oktober 2013, de reacties op de klachten, het ZMP Protocol en de andere door appellant genoemde documenten, geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze documenten niet gericht zijn op concrete rechtsgevolgen voor appellant en dus tegen deze documenten niet het rechtsmiddel van bezwaar kan worden aangewend.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het re-integratieplan van 22 december 2012 en het Werkplan Wajong van 15 november 2011 wel zijn gericht op concrete rechtsgevolgen voor appellant en dus besluiten zijn waartegen bezwaar kon worden ingesteld.

4.3.

Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Niet in geschil is dat appellant zijn bezwaarschrift tegen deze besluiten ruim na afloop van die termijn heeft ingediend. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft een niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Toepassing van artikel 6:11 van de Awb vraagt een individuele beoordeling in het concrete geval.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank dat appellant geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is van verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, onderschrijft de Raad. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat zijn medische problemen destijds, toen het re-integratieplan en Werkplan Wajong werden vastgesteld, van dien aard waren dat hij buiten staat was om tijdig bezwaar te maken. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant in 2011 wel in staat was klachten tegen het Uwv in te dienen en in een rapport van 29 juli 2011 heeft de verzekeringsarts vermeld dat de medische toestand van appellant de laatste jaren vrij stabiel is, dat appellant begeleiding wil om zijn opleiding af te maken en weer de arbeidsmarkt op te gaan, en dat zowel appellant als de verzekeringsarts dit ook mogelijk acht. Uit de gedingstukken blijkt niet dat in 2012 van een geheel andere medische situatie sprake is geweest. Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat de psychiatrische problematiek van appellant in 2011 en 2012 van dien aard was dat hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig bezwaar heeft ingesteld. Voor de arresten van de Hoge Raad, waarnaar appellant heeft verwezen, geldt dat daarin een oordeel is gegeven over civielrechtelijk verjaring. Voor de toepassing van artikel 6:11 van de Awb bevatten deze arresten, anders dan appellant kennelijk meent, geen aanknopingspunten.

4.5.

De grief ten slotte van appellant dat hij nimmer is gewezen op de mogelijkheid om bezwaar in te dienen tegen het re-integratietraject of Werkplan Wajong, faalt. In het re-integratietraject en in het Werkplan Wajong is uitdrukkelijk de informatie opgenomen dat, als betrokkene het er niet mee eens is, bij het Uwv bezwaar kan worden ingesteld.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is er voor toekenning van schadevergoeding geen ruimte, zodat het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot betaling van schadevergoeding zal worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) A.M.C. de Vries

IJ