Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3191

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
14/5351 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport op het punt van de noodzaak van een urenbeperking afwijkt van de opvatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Onjuiste grondslag aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5351 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

19 augustus 2014, 14/553 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 15 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.S. Lassche, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lassche. Tevens zijn, door appellante meegebracht, verschenen I. Fransen, doventolk, W. Elsman, arbeidsdeskundige en P. Schaffer, maatschappelijk werker. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.W.A. Blind.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De door de Raad als deskundige benoemde verzekeringsarts heeft op 26 juni 2016 rapport uitgebracht. Naar aanleiding van de reactie van Uwv hebben partijen hun zienswijze naar voren gebracht.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak vervolgens verwezen naar de meervoudige kamer.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2017. Namens appellante is mr. Lassche verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was tot 1 april 2008 werkzaam als administratief medewerkster. Vervolgens heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op 1 juli 2008 heeft zij zich ziek gemeld met psychische klachten. Tijdens een verzekeringsgeneeskundig onderzoek in november 2010 in het kader van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is vastgesteld dat appellante gehoorproblemen, een sociale fobie en een depressie heeft. Op grond hiervan heeft een verzekeringsarts een aantal beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
9 november 2010. De verzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien voor het stellen van een verdergaande urenbeperking dan tot gemiddeld ongeveer acht uur per dag, gemiddeld ongeveer 40 uur per week. Appellante kan ook niet ‘s nachts en in onregelmatige diensten werken. Na arbeidsdeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2010 vastgesteld dat appellante bij einde wachttijd op 29 juni 2010 geen recht heeft op een
WIA-uitkering, omdat haar verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% bedraagt. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.2.

Bij brief van 18 januari 2013 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 13 december 2010, dan wel te beoordelen of appellante met ingang van
8 oktober 2010 recht heeft op een WIA-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij dit verzoek is een brief van psychiater dr. D. Oosterbaan en klinisch psycholoog

dr. M. Kampman van 4 november 2008, een brief van GZ-psycholoog dr. E. Allart van

9 september 2010 en een huisartsenjournaal overgelegd.

1.3.

Naar aanleiding van dit verzoek van appellante heeft een verzekeringsarts van het Uwv onderzoek verricht. Bij rapport van 9 april 2013 heeft deze arts geconcludeerd dat uit de aangeleverde medische informatie geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden blijken niet die eerder bekend waren. Met de genoemde diagnosen was bij de beoordeling in 2010 al rekening gehouden. Volgens de verzekeringsarts wisselen de klachten van appellante wel wat, maar zijn de beperkingen op 18 januari 2013 onveranderd ten opzichte van de FML van

9 november 2010.

1.4.

Bij besluit van 10 april 2013 heeft het Uwv de aanvraag van appellante van
18 januari 2013 afgewezen op de grond dat zij geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.5.

Met zijn besluit van 15 juli 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 8 oktober 2010 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan, omdat haar belastbaarheid op deze datum niet is gewijzigd ten opzichte van haar belastbaarheid op

29 juni 2010.

1.6.

Appellante heeft tegen de besluiten van 10 april 2013 en 15 juli 2013 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek verricht. In een rapport van 18 oktober 2013 heeft deze arts de overwegingen onderschreven die ten grondslag liggen aan de besluiten van 10 april 2013 en 15 juli 2013. Bij het bestreden besluit van 12 december 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen beide besluiten ongegrond verklaard: tegen het besluit van 10 april 2013 omdat er geen sprake zou zijn van nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden, en tegen het besluit van 15 juli 2013 omdat er geen sprake zou zijn van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

2.1.

In beroep tegen het besluit van 12 december 2013 heeft appellante gesteld dat uit de medische informatie die is overgelegd bij de brief van 18 januari 2013, wel nieuwe feiten blijken die nog niet bekend waren bij het Uwv. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van GZ-psycholoog Coumans van 30 juni 2014 ingebracht.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 van de Awb naar voren gebracht. De medische informatie die appellante heeft overgelegd had zij op een eerder moment kunnen opvragen bij haar behandelaars en naar voren kunnen brengen als zij tegen het besluit van 13 december 2010 (tijdig) bezwaar had gemaakt. Verder acht de rechtbank voldoende gemotiveerd dat de beperkingen van appellante vanaf oktober 2010 niet zijn toegenomen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante haar standpunten herhaald. Ter onderbouwing heeft appellante een expertise van psychiater J.L.M. Schoutrop van 10 oktober 2015 ingebracht. Volgens Schoutrop heeft appellante een paniekstoornis met agorafobie, een sociale fobie, is zij alcoholafhankelijk en lijdt zij aan een depressieve stoornis. Voorts heeft zij een borderline persoonlijkheidsstoornis met waarschijnlijk ook een borderline persoonlijkheidsorganisatie, en gehoorproblemen aan haar linker oor. Schoutrop heeft geconcludeerd dat in de FML van

9 november 2010 op een aantal punten onvoldoende rekening is gehouden met de belastbaarheid van appellante.

3.2.

In reactie op de expertise van psychiater Schoutrop heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 oktober 2015 ingebracht. Hij heeft geconcludeerd dat er in 2010 grofweg dezelfde beperkingen zijn aangenomen als psychiater Schoutrop heeft genoemd in zijn rapport van 10 oktober 2015. Er zijn wel nuances, maar volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn deze niet zodanig dat er noodzaak bestaat een nieuwe FML op te maken. Met de in 2010 vastgestelde beperkingen wordt voldoende tegemoet gekomen aan de belastbaarheid van appellante.

3.3.

De Raad heeft de verzekeringsarts mr. drs. J.H.M. de Brouwer als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft op 26 juni 2016 rapport uitgebracht. Hij concludeert dat de FML van
9 november 2010 op een aantal onderdelen moet worden gewijzigd. Verder acht de deskundige een urenbeperking als gevolg van een energetische indicatie aan de orde omdat de angstproblematiek van appellante ertoe leidt dat functioneren in een sociale omgeving veel van haar energie vraagt. Voorts geldt, in ieder geval tijdelijk, een preventieve indicatie. Appellante kan volgens de deskundige niet meer dan ongeveer vier uur per dag, ongeveer twintig uur per week werken. De mogelijkheden tot functioneren zijn volgens de deskundige na 29 juni 2010 niet gewijzigd.

3.4.

In reactie op het rapport van De Brouwer heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich bij rapport van 25 juli 2016 op het standpunt gesteld dat de nieuwe medische informatie die is overgelegd bij het verzoek van 18 januari 2013, en waarin een aanmerkelijk uitgebreider diagnose wordt geformuleerd dan waarvan oorspronkelijk is uitgegaan, nieuwe feiten en omstandigheden oplevert als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 3 oktober 2016 een nieuwe FML opgesteld, geldend vanaf
28 juni 2010, waarin alle door de deskundige voorgestelde aanvullende beperkingen zijn overgenomen, met uitzondering van de urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij overwogen dat appellante in het verleden voltijds heeft gewerkt, dat een urenbeperking bij werk dat kwalitatief is aangepast aan de eisen van de FML niet nodig is nu er geen sprake is van een duidelijk depressief toestandsbeeld, en dat een urenbeperking in het kader van re-integratie bij een beoordeling op grond van de WIA niet aan de orde is.

3.5.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na onderzoek vervolgens vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellante, ook uitgaande van de nader door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen, op en na 28 juni 2010, minder dan 35% bedraagt. Appellante wordt geschikt geacht voor de functies medewerker afwascentrale, kledingperser en medewerker bloemkwekerij.

3.6.

Ter zitting heeft appellante het oordeel van de deskundige De Brouwer over haar beperkingen onderschreven. Zij stelt zich op het standpunt dat de FML van 3 oktober 2016 moet worden bijgesteld in die zin dat er een urenbeperking wordt opgenomen, alsmede een zwaardere beperking in verband met haar gehoorproblematiek. Appellante acht de functies ongeschikt, kort gezegd, vooral omdat deze in een te lawaaiige omgeving moeten worden uitgeoefend, waarin intensieve begeleiding van appellante als gevolg van haar gehoorproblematiek niet mogelijk is.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

De aanvraag van appellante van januari 2013 is primair een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft – ook – de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd.

4.1.2.

Uit deze uitspraak vloeit voort dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Als het bestuursorgaan de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden afwijst, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek.

4.1.3.

In dit geval heeft het Uwv bij het bestreden besluit oorspronkelijk geweigerd om terug te komen van zijn besluit van 13 december 2010 omdat er geen sprake zou zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Daarnaast heeft het Uwv geweigerd aan appellante per
8 oktober 2010 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat er geen sprake zou zijn van toegenomen beperkingen ten opzichte van de FML van 9 november 2010. Uiteindelijk heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van 25 juli 2016 erkend dat er wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Derhalve wordt het ervoor gehouden dat ook de weigering om terug te komen van het besluit van 13 december 2010 (uiteindelijk) op inhoudelijke gronden berust en dus dient te worden getoetst als ware dit het eerste besluit over het recht van appellante op een WIA-uitkering per 29 juni 2010.

4.2.1.

Wat betreft het medische aspect van de schatting spitst het geschil tussen partijen zich nu nog toe op de vraag of in de FML van 3 oktober 2016, geldend vanaf 28 juni 2010, op goede gronden geen urenbeperking is opgenomen, en of voldoende rekening is gehouden met de gehoorproblematiek van appellante.

4.2.2.

Met betrekking tot de vraag of een urenbeperking noodzakelijk is, wordt als volgt overwogen. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het rapport op het punt van de noodzaak van een urenbeperking afwijkt van de opvatting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Er zijn geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport neergelegde zienswijze. Met name heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende beargumenteerd waarom de opvatting van de deskundige onjuist is, dat een urenbeperking als gevolg van een energetische indicatie aan de orde is omdat de angstproblematiek van appellante ertoe leidt dat functioneren in een sociale omgeving veel van haar energie vraagt. Dit leidt tot de conclusie dat appellante op 29 juni 2010 in staat is om (niet meer dan) ongeveer vier uur per dag, ongeveer veertig uur per week, arbeid te verrichten. In zoverre berusten de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit op een onjuiste grondslag.

4.2.3.

Met betrekking tot de gehoorproblematiek wordt volstaan met de opmerking dat appellante niet heeft onderbouwd waarom aan deze problematiek met de onder 2.2 van de FML opgenomen beperking onvoldoende recht zou zijn gedaan.

4.3.

Uit 4.1.1 tot en met 4.2.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep moet gegrond worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het Uwv dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld.

4.4.

Ter voorkoming van onnodige vervolgprocedures wordt over de ingediende arbeidskundige grieven opgemerkt dat appellante is aangewezen op functies waarin zij zo nodig kan terugvallen op directe collega’s of leidinggevenden. Van een behoefte aan continue intensieve begeleiding is echter niet gebleken. Tegen de geschiktheid van te duiden functies kan dan ook niet met vrucht worden aangevoerd dat de hoeveelheid achtergrondgeluid intensieve begeleiding onmogelijk maakt. Vooralsnog wordt niet ingezien waarom appellante functies zoals geselecteerd niet gedurende ongeveer 4 uur per dag, twintig uur per week, zou kunnen vervullen.

5. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 1.485,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Daarnaast komen de kosten van het rapport van de door appellante ingeschakelde psychiater Schoutrop voor vergoeding in aanmerking. Gelet op artikel 2, eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komt aan appellante bij een door Schoutrop bestede tijd van 14,5 uur een forfaitaire vergoeding toe van € 1.683,30. De kosten voor het verschijnen van de arbeidsdeskundige Elsman in eerste aanleg ad € 205,70 komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. In totaal is het Uwv aan appellante € 4.364,- verschuldigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 12 december 2013;

- bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze

uitspraak;

- bepaalt dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts beroep

bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.364,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2017.

(getekend) M. Greebe

(getekend) N. van Rooijen

HD