Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/1525 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft betrokkene afgewezen voor de door hem geambieerde functie en hem voor tien uur per week de BAB-status toegekend. Het advies van de selectiecommissie is voldoende kenbaar (en toetsbaar). Dat het advies betrokkene eerst alleen mondeling is meegedeeld, doet niet af aan het feit dat uit het primaire besluit genoegzaam blijkt op welke gronden de selectiecommissie heeft geadviseerd betrokkene niet te plaatsen in de nieuwe functie. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat appellant zich bij zijn besluitvorming niet op de bevindingen van de selectiecommissie heeft mogen baseren. Aan de tegenwerping van betrokkene dat hij al jaren naar tevredenheid functioneert, is appellant al bij het besluit van 30 april 2014 terecht voorbij gegaan. Het personeelsdossier van betrokkene laat immers zien dat er regelmatig sprake is geweest van problemen ten aanzien van zijn stijl van aansturing en wijze van samenwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/1525 AW, 16/8098 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
27 januari 2016, 15/660 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 14 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.P.F. van Duren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A.W. Schutte een verweerschrift ingediend.

Van appellant is een nader besluit ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/1312 AW en 16/1618 AW, plaatsgevonden op 13 juli 2017. Appellant werd vertegenwoordigd door mr. Van Duren en
L. Dahlmans. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is sinds 1 oktober 1984 werkzaam bij de gemeente Maastricht, laatstelijk als docent [vak 1] en docent [vak 2] bij de [naam school] . Sinds
1 september 2004 zijn hem voor tien uur per week ook taken opgedragen als [functie 1] van de afdeling [afdeling 1]

1.2.

In verband met een fusie van [instelling 1] , het [instelling 2] en het [instelling 3] is op 1 juli 2013, na een positief advies door de ondernemingsraad, het organisatieplan [organisatieplan] (organisatieplan) vastgesteld. Uit het organisatieplan volgt onder meer dat sprake is van een nieuwe organisatiestructuur, dat de functie van [functie 1] komt te vervallen en dat de nieuwe functie van [functie 2] wordt geïntroduceerd.

1.3.

Bij besluit van 4 oktober 2013 heeft appellant aan betrokkene te kennen gegeven dat zijn functie van [functie 1] voor tien uur per week in de nieuwe organisatie komt te vervallen. Tevens is te kennen gegeven dat betrokkene voorlopig de status van Kandidaat Bijzondere Arbeidsbemiddeling (BAB-status) krijgt, wat inhoudt dat hij een voorrangspositie heeft bij de invulling van vacatures in de nieuwe organisatie.

1.4.

Betrokkene heeft zijn belangstelling kenbaar gemaakt voor de functie van [functie 3] in de nieuwe organisatie, waarna een gesprek heeft plaatsgevonden met de selectiecommissie.

1.5.

Bij brief van 23 februari 2014 heeft appellant aan betrokkene te kennen gegeven dat de selectiecommissie hem niet geschikt (te maken) acht voor de geambieerde functie van [functie 3] en dat appellant voornemens is betrokkene met ingang van 1 maart 2014 definitief de BAB-status toe te kennen.

1.6.

Nadat betrokkene op 21 maart 2014 zijn zienswijze had ingediend, heeft appellant bij besluit van 30 april 2014 aan betrokkene te kennen gegeven dat het besluit om hem niet te plaatsen in de functie van [functie 3] wordt gehandhaafd en dat hem voor tien uur per week de BAB-status wordt toegekend. Bij besluit van 20 januari 2015 (besteden besluit) heeft appellant het besluit van 30 april 2014 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat en voor zover hier van belang - overwogen dat op grond van de plaatsingsprocedure beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuwe of sterk gewijzigde functie. Omdat een duidelijke omschrijving van de nieuwe functie van [functie 3] ontbreekt, kan volgens de rechtbank niet worden vastgesteld of wel of geen sprake is van een nieuwe functie (of sterk gewijzigde functie). Ook is onvoldoende komen vast te staan in hoeverre de functie van [functie 2] passend is of passend te maken is. Nu het salarisniveau van de nieuwe functie nog niet is vastgesteld, kan ook dit niet leiden tot het oordeel dat om deze reden sprake is van een nieuwe functie. Voorts is volgens de rechtbank het advies van de selectiecommissie niet kenbaar, omdat het slechts mondeling is meegedeeld aan betrokkene, zodat een toetsing van dit advies niet mogelijk is.

3.1.

Het hoger beroep van appellant strekt ertoe dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd en dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond wordt verklaard.

3.2.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 13 december 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Tegen dit besluit zijn namens betrokkene gronden aangevoerd. Dit besluit wordt mede in de beoordeling betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 10d:2, onder d, van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Maastricht wordt verstaan onder boventalligheid: de situatie dat een ambtenaar wegens reorganisatie niet kan terugkeren in de formatie na de reorganisatie.

4.2.

In artikel 23, eerste lid, van het Sociaal Statuut gemeente Maastricht 2015 is bepaald dat voor medewerkers die vóór 1 januari 2015 boventallig zijn verklaard als gevolg van een reorganisatie en aangewezen zijn als kandidaat bijzondere arbeidsbemiddeling (BAB-status), het Sociaal statuut gemeente Maastricht 2001 (sociaal statuut) blijft gelden.

4.3.

In artikel 1:2 van het sociaal statuut is bepaald dat dit sociaal statuut van toepassing is op alle organisatiewijzigingen in de gemeentelijke organisatie, niet zijnde een organisatiewijziging als gevolg van een gemeentelijke herindeling. In artikel 3:2, vierde lid, van het sociaal statuut is bepaald dat bij elke organisatiewijziging waarop dit sociaal statuut van toepassing is, afzonderlijk wordt bepaald op basis van welk(e) principe(s) de plaatsingsprocedure plaatsvindt.

4.4.

In het organisatieplan is in hoofdstuk 5 onder Plaatsingsprocedure opgenomen dat bij plaatsing de gemeentelijke plaatsingsprocedure van toepassing is.

4.5.1.

Ingevolge de plaatsingsprocedure van de gemeente Maastricht volgt de medewerker zijn functie als de functie in de nieuwe organisatie ongewijzigd of licht gewijzigd terugkeert. Functievolgers worden niet herplaatst, omdat zij hun functie behouden. Als de functie in de nieuwe organisatie sterk is gewijzigd of wordt opgeheven, krijgt de medewerker de voorlopige BAB-status.

4.5.2.

Volgens de plaatsingsprocedure is sprake van een nieuwe functie (of sterk gewijzigde functie) “als er in belangrijke mate een wijziging optreedt in het onderstaande, waardoor de nieuwe functie wezenlijk/substantieel anders is dan de oude functie:

- het samenstel van werkzaamheden voor meer dan 25% wijzigt en/of

- de bevoegdheden en/of verantwoordelijkheden wijzigen en/of

- de aard van de functie (bijvoorbeeld staf of managementfunctie) wijzigt en/of

- het niveau van de functie hetgeen leidt tot andere functie- en/of opleidingseisen.

Indien een wijziging in bovengenoemde items leidt tot een ander indicatief schaalniveau, dan is er altijd sprake van een nieuwe functie”.

4.5.3.

In de plaatsingsprocedure is verder bepaald dat bij de invulling van nieuwe functies/vacatures eerst dient te worden onderzocht of medewerkers die in de eerste fase van de herinrichting de voorlopige BAB-status hebben gekregen, in deze nieuwe functies kunnen worden geplaatst. Een medewerker met een voorlopige BAB-status dient geplaatst te worden “indien de functie passend is of passend te maken is door de medewerker binnen redelijke termijn om her- of bijscholen”. Indien er geen geschikte kandidaat met de voorlopige

BAB-status is, kunnen ook de overige medewerkers binnen het organisatieonderdeel hun belangstelling voor deze nieuwe of sterk gewijzigde functies kenbaar maken.

4.6.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de functie van [functie 2] in de nieuwe organisatie al dan niet is aan te merken als nieuwe (of sterk gewijzigde) functie. Met appellant en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat wel is vast te stellen dat sprake is van een nieuwe functie. Uit het organisatieplan en de nieuwe organisatiestructuur blijkt immers dat het gaat om een functie met een andere plek in de organisatie (aard van de functie) en met andere verantwoordelijkheden. Daarnaast blijkt uit het van toepassing zijnde generieke functieprofiel, dat de functie een ander doel en andere verantwoordelijkheden en bevoegdheden kent dan die van de functie van [functie 1] . Uit de omschreven hoofdtaken blijkt voorts dat, anders dan bij de functie van [functie 1] , de nadruk meer ligt op leidinggevende taken. Nu vaststaat dat de functie van [functie 2] indicatief was gewaardeerd op schaal 10 (OIK) is tevens sprake van een ander indicatief schaalniveau. Betrokkene wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat schaal 10 (OIK) hetzelfde schaalniveau betreft als schaal 9 van de salarisschalen kunsteducatie. Dit blijkt niet uit de van toepassing zijnde salaristabellen. Uit de plaatsingsprocedure volgt dat als een wijziging in de onder 4.5.2 genoemde items leidt tot een ander indicatief schaalniveau, zoals in het onderhavige geval, er altijd sprake is van een nieuwe functie.

4.7.

Als, zoals in dit geval, sprake is van een nieuwe functie dient op grond van de plaatsingsprocedure eerst onderzocht te worden of medewerkers die de voorlopige
BAB-status hebben gekregen, in deze nieuwe functie kunnen worden geplaatst. Een medewerker met een voorlopige BAB-status dient geplaatst te worden indien de functie passend is of passend te maken is.

4.8.

De Raad stelt voorop, en deelt het oordeel van de rechtbank daarover niet, dat het advies van de selectiecommissie voldoende kenbaar (en toetsbaar) is. Dat het advies betrokkene eerst alleen mondeling is meegedeeld, doet niet af aan het feit dat uit het primaire besluit genoegzaam blijkt op welke gronden de selectiecommissie heeft geadviseerd betrokkene niet te plaatsen in de nieuwe functie. De commissie vond dat betrokkene een te beperkte inhoudelijke visie had op de doorontwikkeling van [afdeling 2] als onderdeel van het team [team] als geheel, dat hij een (te) directieve stijl van aansturen had, terwijl een coachende/dienende stijl werd gevraagd, dat betrokkene onvoldoende op samenwerken was gericht en dat hij te weinig reflectie had op eigen handelen en de effecten daarvan op anderen.

4.9.

De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat appellant zich bij zijn besluitvorming niet op de bevindingen van de selectiecommissie heeft mogen baseren. Aan de tegenwerping van betrokkene dat hij al jaren naar tevredenheid functioneert, is appellant al bij het besluit van
30 april 2014 terecht voorbij gegaan. Het personeelsdossier van betrokkene laat immers zien dat er regelmatig sprake is geweest van problemen ten aanzien van zijn stijl van aansturing en wijze van samenwerking. Ook zijn er recente voorbeelden te noemen van situaties waarin betrokkene weerstand heeft opgeroepen bij degenen met wie hij moet samenwerken. Voorafgaand aan het selectiegesprek zijn daarom door de teammanager al twijfels uitgesproken over zijn geschiktheid. Op dat moment, maar ook in het gesprek met de selectiecommissie, is niet gebleken dat betrokkene zich bewust is van de noodzaak om zich hierin verder te ontwikkelen. Appellant heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat de functie van [functie 3] voor betrokkene niet passend of passend te maken is, zodat de weigering hem op die functie te plaatsen in rechte standhoudt.

4.10.

Uit wat is overwogen onder 4.6 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Daarmee is tevens de grondslag komen te ontvallen aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 13 december 2016. De Raad zal ook dat besluit vernietigen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 januari 2015 ongegrond;

- vernietigt het besluit van 13 december 2016.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2017.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A. Mansourova

HD