Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/5414 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ziekengeld terecht geweigerd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanleiding de uitkomst van het medisch onderzoek onjuist te achten. Geschikt voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0767

Uitspraak

16/5414 ZW

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
21 juni 2016, 16/966 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2017. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, ter zitting niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is tot 1 mei 2011 werkzaam geweest als productiemedewerker voor 40 uur per week. Appellant heeft zich op 3 september 2012 ziek gemeld met in eerste instantie klachten van benauwdheid en hoofdpijn, in combinatie met klachten aan de nek en schouder, en later ook psychische klachten, ontstaan na een ongeval op 20 oktober 2012. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft bij besluit van 28 juli 2014 vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 1 september 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant per 1 september 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juli 2014 is door het Uwv bij besluit van 15 januari 2015 ongegrond verklaard. Appellant werd met zijn beperkingen, als vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 juli 2014, in staat geacht functies als inpakker, productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie en medewerker tuinbouw te vervullen. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Appellant heeft zich op 9 maart 2015 opnieuw ziek gemeld. Op 22 mei 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant voor het geval er na zijn spreekuur geen wijzigingen optreden, per 1 juli 2015 in staat geacht voor de maatgevende arbeid. Appellant wordt belastbaar geacht conform de FML van 11 juli 2014 maar er worden aanvullende beperkingen aangenomen voor de functie van de rechterellenboog. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2015 vastgesteld dat appellant per 1 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Bij aanvullend rapport van
9 juli 2015 heeft een verzekeringsarts overwogen dat appellant niet per 1 juli 2015 maar per
9 juli 2015 weer arbeidsgeschikt is. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 juli 2015 vastgesteld dat appellant per 9 juli 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 4 januari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 december 2015 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek door de verzekeringsarts als voldoende zorgvuldig en volledig beoordeeld en het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep deugdelijk gemotiveerd geacht. De rechtbank heeft op basis van de argumenten van appellant en de medische informatie van de behandelend sector onvoldoende aanknopingspunten gevonden om het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat appellant nog steeds geschikt is voor de geselecteerde functies, in twijfel te trekken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt, als ingenomen in beroep, gehandhaafd. Hij is van mening dat zijn beperkingen, die voortkomen uit ernstige lichamelijke en psychische klachten, onjuist zijn vastgesteld. Appellant acht zich vanwege zijn klachten niet in staat om de eerder geselecteerde functies te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat de uitkomst van het medisch onderzoek onjuist te achten. Ook de gronden waarop dat oordeel berust worden onderschreven. In hoger beroep heeft appellant herhaald wat hij eerder in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft die gronden volledig besproken en weerlegd zodat hier wordt volstaan met een verwijzing naar de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Er wordt dan ook geen aanleiding gezien voor een ander oordeel dan het oordeel van de rechtbank dat appellant met ingang van 9 juli 2015 geschikt is te achten om zijn arbeid, zijnde tenminste één van de onder 1.1 genoemde functies.

4.3.

De overwegingen in 4.1 en 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F.M.S. Requisizione, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.

(getekend) F.M.S. Requisizione

(getekend) R.H. Budde

AB