Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3170

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/4484 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering pgb. Niet voldaan aan de verplichting om het pgb te gebruiken voor het betalen van AWBZ-zorg. Dat appellant bekend is met langdurige verslavingsproblematiek en dat hem zorg is verleend waarvoor hij een betalingsverplichting jegens zijn zorgverleners heeft, hoefde het Zorgkantoor niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging te leiden. Ten onrechte geen vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/4484 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
13 juni 2016, 15/9596 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Brouwer. Het Zorgkantoor is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor het jaar 2013 van € 48.576,42 (netto) voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Bij besluit van 28 maart 2014 heeft het Zorgkantoor het aan appellant voor 2013 verleende pgb vastgesteld op € 44.170,65. De aan appellant betaalde voorschotten heeft het Zorgkantoor tot een bedrag van € 4.405,77 van hem teruggevorderd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 24 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard. Volgens het Zorgkantoor is oorspronkelijk een verantwoord bedrag van € 4.522,- afgekeurd omdat daarvoor betaalbewijzen ontbraken. Omdat voldoende aannemelijk is dat appellant alsnog een bedrag van € 700,- heeft betaald aan zijn zorgverleners, heeft het Zorgkantoor in het kader van de belangenafweging aanleiding gezien om de terugvordering te verlagen naar € 3.705,77.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is niet in geschil dat appellant een deel van de pgb-voorschotten voor privédoeleinden heeft gebruikt. Daarmee staat vast dat appellant niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen, zodat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen. De door appellant aangevoerde omstandigheden maken niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Volgens de rechtbank had het Zorgkantoor geen aanleiding hoeven zien om het bezwaar gegrond te verklaren. Appellant is pas in de bezwaarprocedure met bewijs gekomen dat hij een betalingsregeling met zijn zorgverleners had getroffen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het Zorgkantoor het bezwaar niet gegrond hoefde te verklaren. Nu het Zorgkantoor eerst in het bestreden besluit een belangenafweging heeft gemaakt, was het besluit van 28 maart 2014 onrechtmatig en had het Zorgkantoor het daartegen gerichte bezwaar gegrond moeten verklaren en de kosten van bezwaar moeten vergoeden. De belangenafweging die in het bestreden besluit heeft plaatsgevonden is volgens appellant niet evenredig. Niet in discussie is dat hij zorg heeft ontvangen en dat hij daarvoor een betalingsverplichting jegens zijn zorgverleners heeft. Bovendien is sprake van een jarenlange verslavingsproblematiek.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om het pgb te gebruiken voor het betalen van AWBZ-zorg als bedoeld in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa. Dit betekent dat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen.

4.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.3.

De Raad is van oordeel dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet maken dat moet worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot zijn belangenafweging heeft kunnen komen. Dat appellant bekend is met langdurige verslavingsproblematiek en dat hem zorg is verleend waarvoor hij een betalingsverplichting jegens zijn zorgverleners heeft, hoefde het Zorgkantoor niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging te leiden. Het Zorgkantoor heeft op grond van de door appellant overgelegde stukken voldoende aannemelijk geacht dat appellant ten tijde van het bestreden besluit een bedrag van € 700,- aan zijn zorgverleners had betaald en heeft hiermee rekening gehouden. Dat appellant meer betalingen heeft gedaan aan zijn zorgverleners volgt niet uit de beschikbare stukken. Gelet hierop heeft het Zorgkantoor het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichtingen kunnen laten prevaleren boven het belang van appellant.

4.4.

Nu het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft gemaakt, heeft het Zorgkantoor aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 3.705,77 aan voorschotten betaald. Het Zorgkantoor is bevoegd tot terugvordering daarvan over te gaan. De door appellant genoemde omstandigheden maken niet dat het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Financiële nood bij appellant zal bij de (wijze van) invordering worden betrokken.

4.5.

De beroepsgrond van appellant dat hem bij het bestreden besluit ten onrechte geen vergoeding voor de kosten van bezwaar is toegekend, slaagt. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het besluit van 28 maart 2014 een belangenafweging ontbreekt en dat eerst in het bestreden besluit de in 4.2 genoemde (kenbare) belangenafweging is gemaakt. Deze belangafweging heeft ertoe geleid dat de terugvordering met een bedrag van € 700,- is verlaagd tot € 3.705,77. De Raad is met appellant van oordeel dat hiermee sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, die tot vergoeding van de kosten van bezwaar behoort te leiden. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover daarbij geen vergoeding van de kosten van het bezwaar is toegekend. Het Zorgkantoor dient alsnog in de kosten van het bezwaar te worden veroordeeld. De kosten hiervan worden bepaald op € 990,-.

5. De Raad ziet voorts aanleiding om het Zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep van € 990,- en in hoger beroep van € 990,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 24 november 2015 voor zover daarbij geen vergoeding voor de kosten van bezwaar is toegekend;

  • -

    veroordeelt het Zorgkantoor in de kosten van het bezwaar van appellant en in de proceskosten in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.970,-;

  • -

    bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en J.P.A. Boersma en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) G.J. van Gendt

NW