Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3168

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
16/7897 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning en overgang naar LFNP-functie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het resultaat van de matching onhoudbaar is. Beroep op hardheidsclausule en gelijkheidsbeginsel faalt. Verwijzing ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/7897 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

11 november 2016, 14/3821 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

Datum uitspraak: 14 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.W. Kuijper hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingezonden, waarop de korpschef heeft gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Appellant was werkzaam in de voormalige politieregio [politieregio] , thans regionale eenheid [regionale eenheid] . De korpschef heeft de uitgangspositie van appellant voor zijn toekomstige functie in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) bepaald op [functie 1] (schaal 11). Deze uitgangspositie staat in rechte vast.

1.3.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functie 2], met bijbehorende salarisschaal 10. Bij besluit van 15 juli 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft de juistheid van de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat aan de Regeling overgang naar een

LFNP-functie (Regeling) ernstige feilen kleven. Appellant wordt in dit standpunt niet gevolgd. De rechtsvragen die met dit betoog worden opgeworpen, heeft de Raad al beantwoord in zijn onder 1.1 aangehaalde uitspraken van 1 juni 2015 en de uitspraak van

28 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:347. De overwegingen in deze uitspraken, waarbij de Raad blijft, zijn ook in dit geval van toepassing, zodat het betoog reeds hierom faalt.

4.2.

Appellant heeft verder aangevoerd dat in zijn geval moet worden afgeweken van de uitkomst van de in de bijlage bij de Regeling opgenomen transponeringstabel (TPT), omdat de uitkomst van de matching in zijn situatie onhoudbaar is.

4.3.

Zoals de Raad in de onder 1.1 aangehaalde uitspraken tot uitdrukking heeft gebracht, kan aan de TPT, mede op grond van de waarborgen waarmee de totstandkoming ervan is omgeven, een zwaarwegende betekenis worden gehecht, zodat de korpschef bij het nemen van besluiten over de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie ervan mag uitgaan dat toepassing van de voor het matchingsproces geldende regels tot de in de tabel vermelde uitkomst leidt. Hij mag dan ook in beginsel volstaan met een verwijzing naar de TPT. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen reden om daarover nu anders te oordelen.

4.4.

De Raad is met de korpschef en de rechtbank van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het resultaat van de matching onhoudbaar is. Er is geen grond voor het oordeel dat, zoals appellant heeft aangevoerd, vanwege het gebruik van andere bewoordingen en begrippen in de oude korpsfunctiebeschrijvingen, een vergelijking niet te maken zou zijn. Zoals de Raad in de onder 4.1 genoemde uitspraak van 28 januari 2016 heeft geoordeeld, blijkt uit de Handleiding uitvoering matching LFNP 2013 (Handleiding) dat het voor de werkgroep matching wel degelijk mogelijk was een vergelijking te maken, alhoewel soms sprake was van moeilijke keuzes.

4.5.

Verder heeft de Raad in deze uitspraak overwogen dat de werkgroep matching in de Handleiding uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom de korpsfuncties van leidinggevenden in schaal 11 zijn gematcht met de naastgelegen lagere LFNP-functie [functie 2] en niet met de functie van [functie 3], zoals appellant ambieert. De werkgroep matching heeft, gelet op de onderscheidende kenmerken van beide LFNP-functies, onvoldoende objectieve aanknopingspunten gevonden om de korpsfunctiebeschrijvingen van leidinggevenden in schaal 11 te matchen met de LFNP-functie [functie 3] en heeft matching met de

LFNP-functie [functie 2] aangewezen geacht. De Raad heeft de gegeven motivering inzichtelijk geacht en daarin geen aanleiding gezien het resultaat van de matching onhoudbaar te achten. Evenmin is er grond voor het oordeel dat de werkgroep matching geen zorgvuldig onderzoek zou hebben gedaan.

4.6.

In wat appellant heeft aangevoerd over zijn eigen korpsfunctie ziet de Raad geen grond om in zijn geval tot een ander oordeel te komen. Volgens appellant was er in zijn korpsfunctie sprake van “niet eerder verkende problematiek” en “nieuwe benaderingswijzen” en gaf hij structureel leiding aan specialisten. Zoals de Raad in de uitspraak van 4 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1675, heeft overwogen, moet het hierbij gaan om (niet eerder verkende) problematiek die zelfstandige inzet en inbreng van het team vergt door het kiezen en het (verder) ontwikkelen van specialistische methoden en technieken, beleidsproducten en nieuwe benaderingswijzen, waarbij externe oriëntatie aan de orde is en waarvoor oplossingsrichtingen bekend zijn. Verwezen wordt in dit verband naar pagina 28 en 29 van de Handleiding. Met de korpschef is de Raad van oordeel dat uit de functiebeschrijving van appellant niet blijkt dat sprake is van problematiek zoals hier bedoeld. Evenmin is gebleken dat appellant (structureel) tot taak had leiding te geven aan equivalenten van de

LFNP-functies [functie 4], waarvan een hoogwaardige bijdrage wordt verwacht. Hiermee wordt bedoeld (equivalenten van) [functie 5] (schaal 12) en hoger.

4.7.

Een verdere verwijzing van appellant naar zijn feitelijke werkzaamheden en verantwoordelijkheden kan hem niet baten. Uitgangspunt bij de matching is ingevolge

artikel 3, vierde lid, van de Regeling, in verbinding met artikel 5, tweede en derde lid, van de Regeling immers de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving zoals vastgelegd in de uitgangspositie.

4.8.

Appellant heeft verder een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Daarbij heeft hij naar voren gebracht dat hij tot 1 mei 2008 was aangesteld in de functie van Chef unit Regionale informatie- en opsporingstaken, salarisschaal 12. Op uitdrukkelijk verzoek van het bevoegd gezag heeft hij gesolliciteerd naar de functie van [functie 6], salarisschaal 11. Aangezien het interregionale bureau [interregionaal bureau] nog gecreëerd moest worden, is appellant per 1 mei 2008 geplaatst in de functie van [functie 7], salarisschaal 11, tot het moment van overgang naar dit bureau. Daarbij behield appellant een bezoldiging naar salarisschaal 12. Gelet op het feit dat hij is ingegaan op het uitdrukkelijk gedane verzoek van het bevoegd gezag, acht appellant het onbillijk dat de matching daardoor uitkomt op een LFNP-functie gewaardeerd in salarisschaal 11. In dit verband heeft appellant ook een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Volgens appellant is de korpschef in een vergelijkbaar geval van een teamchef die werkzaam was bij de eenheid [plaats] , wel overgegaan tot toepassing van de hardheidsclausule.

4.9.

Wat appellant naar voren heeft gebracht levert geen onbillijkheid van overwegende aard op. In tal van gevallen heeft de matching, om uiteenlopende redenen die al dan niet buiten de invloedssfeer van de betrokken politieambtenaar zijn gelegen - zo ook in gevallen waarin de korpsleiding een dringend beroep op de betrokkene heeft gedaan om (tijdelijk) andere hoognodige werkzaamheden te verrichten - geleid tot een lager gewaardeerde LFNP-functie dan de functie die de betreffende politieambtenaar voor de invoering van het LFNP bekleedde. De situatie van appellant is in dat opzicht niet bijzonder, althans niet zo bijzonder dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraak van 9 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1065.

4.10.

De Raad acht tot slot het door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel door de korpschef voldoende weerlegd. De korpschef heeft er in de eerste plaats op gewezen dat appellant is verzocht te solliciteren, wat hij vervolgens ook heeft gedaan, terwijl in het geval van de teamchef bij de eenheid [plaats] enkel het verzoek was gedaan een andere functie te gaan vervullen, zonder dat hierbij een sollicitatieprocedure aan de orde was. Daarnaast is appellant uiteindelijk niet benoemd in de functie waarnaar hij heeft gesolliciteerd. Een en ander maakt dat geen sprake is van gelijke gevallen. Bovendien heeft de korpschef er nog op gewezen dat slechts in een zeer beperkt aantal gevallen toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule en dat het, achteraf bezien, de vraag is of in het geval van de teamchef bij de eenheid [plaats] de hardheidsclausule wel toegepast had moeten worden. Daarbij wijst de Raad erop dat appellant in dit verband slechts één geval heeft genoemd en dat niet is gebleken dat de hardheidsclausule structureel is toegepast in vergelijkbare gevallen.

4.11.

Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2017.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) A. Mansourova

HD