Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3162

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
15/6332 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:5444, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Autohandel. Waarde auto's niet van belang nu het niet om vermogen maar om inkomsten uit verkoop gaat. Geen objectieve en controleerbare gegevens over transacties verschaft. Het recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/6332 WWB, 15/7171 WWB, 15/7173 WWB

Datum uitspraak: 12 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 augustus 2015, 15/1228 WWB (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.J. van ‘t Hoff, advocaat, hoger beroep ingesteld

Het college heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellanten hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door N.M.H. Wanten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sedert 3 april 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant inkomsten verwerft uit onder andere autohandel, heeft een sociaal rechercheur van het team Fraudebestrijding van de gemeente Tilburg een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder andere gegevens opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer en een gesprek met appellanten gevoerd. Hieruit blijkt onder meer dat in de periode van 7 maart 2013 tot 14 september 2013 een aantal kentekens van voertuigen (auto’s en een quad) gedurende korte tijd op naam van appellant heeft gestaan en dat een derde de wegenbelasting en verzekeringspremie voor appellant betaalde. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 juni 2014.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 15 augustus 2014 (besluit 1) de bijstand van appellanten te herzien (lees: deels te herzien en deels in te trekken) over de periode van 7 maart 2013 tot en met 31 juli 2014.

1.4.

Bij besluit van 18 augustus 2014 (besluit 2) heeft het college de over de periode van 7 maart 2013 tot en met 31 juli 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 9.916,51 van appellanten teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 29 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen besluiten 1 en 2 gedeeltelijk gegrond verklaard en het terug te vorderen bedrag vastgesteld op € 8.541,72. Aan het bestreden besluit heeft het college - voor zover van belang - ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen over de maanden mei 2013, juli 2013, augustus 2013 en september 2013, de maanden waarin transacties met de voertuigen hebben plaatsgevonden. Appellanten hebben geen duidelijkheid verschaft over de wijze van aanschaf van de voertuigen, de verkoopwaarde hiervan en de bewijsstukken van schulden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, besluit 1 herroepen voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de maand mei 2013, bepaald dat deze uitspraak in zoverre treedt in de plaats van het bestreden besluit en het college opgedragen om over de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, overwogen dat niet in geschil is dat appellanten de transacties met betrekking tot de Daewoo Matiz, de VW Golf TDI en de quad [merk quad] , welke transacties in mei 2013, augustus 2013 en september 2013 hebben plaatsgevonden, niet hebben gemeld. Het college heeft de aankoop- en verkoopwaarde van de Daewoo Matiz niet betwist, zodat over mei 2013 moet worden uitgegaan van inkomsten van een bedrag van € 550,-. Het standpunt van het college dat het recht op bijstand over mei 2103 niet is vast te stellen, is dan ook onjuist. Appellanten zijn er evenwel niet in geslaagd om aan te tonen dat zij in augustus en september 2013 recht hadden op bijstand.

3.1.

In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat appellanten niet hebben aangetoond dat het recht op bijstand in de maanden augustus en september 2013 is vast te stellen.

3.2.

Het college heeft in het incidenteel hoger beroep zich op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het recht op bijstand in mei 2013 wel is vast te stellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Incidenteel hoger beroep

4.1.

Het college heeft aangevoerd dat de rechtbank met het oordeel dat het recht op bijstand over mei 2013 is vast te stellen, buiten de omvang van het geding is getreden omdat de motivering hiervoor is gebaseerd op feiten en omstandigheden die noch in bezwaar noch in beroep zijn aangevoerd.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellanten hebben in bezwaar aangevoerd dat het standpunt van het college dat het recht op bijstand over de gehele periode niet kan worden vastgesteld, onjuist is. In beroep hebben appellanten in het algemeen aangevoerd dat zij recht hebben op bijstand, waarbij zij mei 2013 niet buiten beschouwing hebben gelaten. Ook heeft de rechtbank ter zitting de transactie met betrekking tot de Daewoo Matiz in mei 2013 aan de orde gesteld en heeft het college desgevraagd verklaard dat deze auto niet veel waard is.

Hoger beroep

4.3.

Niet in geschil is dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van de tenaamstellingen en de transacties met betrekking tot de voertuigen die in augustus 2013 en september 2013 hebben plaatsgevonden.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Appellanten hebben aangevoerd dat de waarde van de Golf TDI en de quad min of meer bekend is, zodat de hoogte van het vermogen kan worden vastgesteld. Het gaat hier evenwel niet om het vermogen, maar om de inkomsten die zijn verkregen met de verkoop althans de overdracht van het kentekenbewijs van de Golf TDI en de quad. Appellanten hebben geen objectieve en controleerbare gegevens verschaft over de met deze transacties verworven inkomsten in augustus 2013 en september 2013. Derhalve kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate, appellanten in augustus 2013 en september 2013 in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het incidenteel hoger beroep en het hoger beroep niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, zal worden bevestigd.

5.1.

Voor een veroordeling in de proceskosten in het hoger beroep van appellanten bestaat geen aanleiding.

5.2.

Nu het incidenteel hoger beroep van het college niet slaagt, bestaat wel aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten in dat incidenteel hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 495,- (indiening verweerschrift) wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten in het incidenteel hoger beroep

tot een bedrag van € 495,-.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R. Schut en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2017.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD