Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3159

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
16/1754 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:1300, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling stellen van 3 aanvragen. Niet overleggen bankafschriften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 1754 WWB

Datum uitspraak: 12 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 februari 2016, 15/3384 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Erik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Erik. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.R. Keijser.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 12 november 2014 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (aanvraag 1). In het kader hiervan heeft het college appellant bij brief van 13 november 2014 verzocht nader genoemde gegevens over te leggen, waaronder alle bankafschriften van de afgelopen drie maanden van alle betaal- en spaarrekeningen. Op 26 november 2014 heeft appellant, voor zover van belang, afschriften van zijn

ABN AMRO-betaalrekening [rekeningnummer 1] (ABN-betaalrekening) ingeleverd over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 oktober 2014. Op deze bankafschriften is te zien dat regelmatig transacties plaatsvinden tussen de ABN-betaalrekening en de op naam van appellante staande ABN AMRO-spaarrekening [rekeningnummer 2] (ABN-spaarrekening). Bij brief van 27 november 2014 heeft het college appellant verzocht om vóór 8 december 2014 nog een aantal ontbrekende stukken over te leggen, waaronder alle bankafschriften van de afgelopen drie maanden van alle betaal- en spaarrekeningen. Hierbij heeft het college vermeld, onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat als appellant niet op tijd reageert of niet alle gevraagde gegevens inlevert, de aanvraag niet in behandeling zal worden genomen. Appellant heeft niet op dit verzoek gereageerd.

1.2.

Bij besluit van 10 december 2014 (besluit 1) heeft het college aanvraag 1 met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld op de grond dat het college de bij brief van 27 november 2014 gevraagde bewijsstukken niet had ontvangen.

1.3.

Op 31 december 2014 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om bijstand (aanvraag 2). In het kader van deze aanvraag heeft het college appellant bij brief van 6 januari 2015 verzocht om voor 14 januari 2015 nader genoemde gegevens over te leggen, waaronder alle bankafschriften van alle bank- en spaarrekeningen van de afgelopen drie maanden. Appellant heeft niet op dit verzoek gereageerd. Vervolgens heeft het college appellant bij brief van 19 januari 2015 nogmaals in de gelegenheid gesteld om deze gegevens voor 26 januari 2015 over te leggen, waarbij de periode waarover bankgegevens worden gevraagd nader is omschreven als de periode van 1 september 2014 tot en met heden. Hierbij heeft het college vermeld, onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Awb, dat als appellant niet op tijd reageert of niet alle gevraagde gegevens inlevert, de aanvraag niet in behandeling zal worden genomen. Appellant heeft op dit verzoek evenmin gereageerd.

1.4.

Bij besluit van 29 januari 2015 (besluit 2) heeft het college aanvraag 2 met toepassing van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld op de grond dat het college de gevraagde bewijsstukken nog niet had ontvangen.

1.5.

Op 11 februari 2015 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om bijstand (aanvraag 3). In het kader van deze aanvraag heeft het college appellant bij brief van 12 februari 2015 verzocht om vóór 20 februari 2015 nader genoemde gegevens over te leggen, waaronder alle bankafschriften van alle bank- en spaarrekeningen over de periode van 1 september 2014 tot en met heden. Appellant heeft niet op dit verzoek gereageerd. Het college heeft appellant vervolgens bij brief van 20 februari 2015 nogmaals verzocht om voor 2 maart 2015 de bij de brief van 12 februari 2015 gevraagde gegevens over te leggen. Hierbij heeft het college vermeld, onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Awb, dat als appellant niet op tijd reageert of niet alle gevraagde gegevens inlevert, de aanvraag niet in behandeling zal worden genomen. Op 24 februari 2015 heeft appellant een aantal stukken ingeleverd waaronder afschriften van de ABN-betaalrekening over de periode van 15 november 2014 tot en met 30 januari 2015.

1.6.

Bij besluit van 3 maart 2015 (besluit 3) heeft het college aanvraag 3 buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant de gevraagde stukken niet volledig heeft ingeleverd. Het college heeft hierbij, voor zover van belang, vermeld dat uit de door appellant ingeleverde bankafschriften van zijn ABN-betaalrekening blijkt dat hij nog over een andere rekening beschikt, te weten de ABN-spaarrekening. Van deze spaarrekening heeft appellant geen afschriften ingeleverd.

1.7.

Bij besluit van 15 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1,2 en 3 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet alle gevraagde stukken binnen de gestelde termijnen heeft ingeleverd, terwijl deze gegevens noodzakelijk zijn om op de aanvragen te beslissen. Hierbij heeft het college, wat betreft de buiten behandelingstelling van aanvraag 1 er, voor zover van belang, op gewezen dat de ‘stempel en krullen’ op de brief van 13 november 2014 aangeven dat er bankafschriften zijn overgelegd, maar niet dat volledig aan het verzoek is voldaan. Er zijn geen bankafschriften van de ABN-spaarrekening overgelegd. Wat betreft de buiten behandelingstelling van aanvraag 2 betreft heeft het college er, voor zover van belang, op gewezen dat alle bankafschriften over de periode van

1 september 2014 tot op heden van zijn betaal- en spaarrekeningen ontbreken. Appellant heeft niet binnen de hersteltermijn laten weten meer tijd nodig te hebben. Wat betreft de buiten behandelingstelling van aanvraag 3 heeft het college erop gewezen dat de afschriften van de ABN-spaarrekening niet tijdig zijn ontvangen. Dat appellant er vanuit ging dat een afdruk van de website van de bank alle rekeningnummers zou omvatten, is een omstandigheid die voor zijn rekening komt. Het had voor de hand gelegen dat appellant de afschriften zelf nog een keer zou controleren op volledigheid. In de herstelbrieven is duidelijk vermeld dat appellant de afschriften van al zijn bank- en spaarrekeningen diende in te leveren.

1.8.

Op een daartoe strekkende aanvraag heeft het college appellant bij besluit van 28 april 2015 bijstand verleend met ingang van 10 maart 2015. In het kader van die aanvraag heeft appellant bankafschriften ingeleverd van zijn ABN-spaarrekening en van een op zijn naam staande bankrekening bij de ING (ING-rekening).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. Het was hem niet duidelijk welke gegevens ontbraken. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij op 26 november 2014 alle bankafschriften had ingeleverd, waardoor hij niet heeft begrepen dat de bankafschriften van een inactieve spaarrekening ontbraken. Pas tijdens de zitting van de voorlopige voorzieningenrechter op 6 maart 2015 heeft appellant begrepen dat het ging om die bankafschriften van zijn ABN-spaarrekening. Door in de herstelverzuimbrieven niet concreet te vermelden welke stukken specifiek ontbraken, heeft het college appellant niet daadwerkelijk in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van 30 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX6143). Appellant heeft diverse malen geïnformeerd welke gegevens ontbraken, maar kreeg geen concreet antwoord.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen.

Inzage in bankafschriften met betrekking tot de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode is in het algemeen noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen beoordelen.

Aanvraag 1

4.3.

Vaststaat dat appellant niet binnen de gegeven hersteltermijnen de bij brieven van 12 en 27 november 2104 gevraagde bankafschriften van alle op zijn naam gestelde bankrekeningen heeft overgelegd. De bankafschriften van zijn ABN-spaarrekening en van zijn ING-rekening ontbraken immers. Niet in geschil is dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

4.4.

Anders dan appellant heeft betoogd, heeft het college in de brief van 27 november 2014 voldoende inzichtelijk gemaakt welke informatie nog ontbrak. Er is duidelijk aangegeven dat appellant alle afschriften van de afgelopen drie maanden van alle betaal- en spaarrekeningen moest overleggen. Het college was niet gehouden om het rekeningnummer van de reeds bekende ABN-spaarrekening en ING-rekening concreet te vermelden. Het ligt immers in de eerste plaats op de weg van degene die om bijstand verzoekt alle gegevens, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, over te leggen. De stelling van appellant dat hij in de veronderstelling verkeerde alles te hebben ingeleverd, komt, zoals het college terecht stelt, voor rekening van appellant. Dat de ontvangst van ingeleverde stukken is bevestigd met ‘krulletjes’ op het overzicht met de gevraagde gegevens behorende bij de brief van 13 november 2014 wil nog niet zeggen dat appellant daarmee ten volle had voldaan aan het verzoek. Zoals het college heeft toegelicht, bevestigen die ‘krulletjes’ enkel de ontvangst van stukken, maar niet dat alle gevraagde gegevens zijn ingeleverd. Appellant moet zelf controleren welke stukken hij inlevert. Van appellant had in ieder geval mogen worden verwacht dat hij binnen de bij brief van 27 november 2014 gegeven hersteltermijn had gereageerd, bijvoorbeeld door te vragen welke bankgegevens het college nog niet had.

4.5.

De vergelijking met de door appellant genoemde uitspraak van 30 oktober 2012 gaat reeds daarom niet op, omdat in dat geval, anders dan in het geval van appellant, op basis van reeds verstrekte gegevens een voorschot was verleend.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het college bevoegd was om aanvraag 1 buiten behandeling te stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebruik had mogen maken.

Aanvraag 2

4.7.

Bij brieven van 6 en 19 januari 2015 heeft het college appellant verzocht om alle bankafschriften van al zijn betaal- en spaarrekeningen over een periode van drie maanden, die eindigde op 6 januari 2015, over te leggen. Appellant heeft niet binnen de gegeven hersteltermijn de bankafschriften van zijn ABN-betaalrekening over de periode van 1 november 2014 tot 6 januari 2015 overgelegd en ook niet de bankafschriften van de

ABN-spaarrekening en van de ING-rekening. Hij heeft evenmin binnen de geboden hersteltermijnen om uitstel verzocht en/of verzocht welke bankgegevens precies moesten worden verstrekt. De stelling van appellant dat het college, gelet op de buitenbehandelingstelling van aanvraag 1, de bankrekeningnummers concreet had moeten vermelden, wordt niet gevolgd. Elke aanvraag staat op zichzelf en reeds om die reden heeft het college met betrekking tot de aanvraag 2 dan ook kunnen volstaan met het opvragen van alle afschriften van de afgelopen drie maanden van alle betaal- en spaarrekeningen.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het college bevoegd was om aanvraag 2 buiten behandeling te stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebruik had mogen maken.

Aanvraag 3

4.9.

Bij brief van 12 februari 2015 heeft het college appellant verzocht om alle bankafschriften over de periode van 1 september 2014 tot en met heden over te leggen. Aangezien appellant binnen de geboden hersteltermijn niet heeft gereageerd op dit verzoek, kon het college reeds om die reden bij de tweede herstelverzuimbrief van 20 februari 2015 volstaan met een herhaling van wat bij brief van 12 februari 2015 was opgevraagd. Appellant heeft in reactie op de brief van 20 februari 2015 wel bankafschriften van zijn

ABN-betaalrekening overgelegd, maar niet van de ABN-spaarrekening en van de

ING-rekening.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het college bevoegd was om aanvraag 3 buiten behandeling te stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebruik had mogen maken.

4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Proceskosten

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van W.A.M. Ebbinge als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2017.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD