Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
17/2737 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bezwaar van appellant is terecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant de gronden van het bezwaar te laat heeft ingediend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

17/2737 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 maart 2017, 16/5456 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 13 september 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 22 februari 2013 heeft het Uwv de aanvraag van appellant voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) niet in behandeling genomen, omdat appellant niet de gevraagde gegevens heeft verstrekt die volgens het Uwv nodig zijn om de aanvraag in behandeling te kunnen nemen. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden met de uitspraak van de Raad van 4 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:280).

1.2.

Bij brief van 22 februari 2016 heeft appellant opnieuw aan het Uwv verzocht om hem in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 9 maart 2016 de herhaalde aanvraag van appellant, onder verwijzing naar het besluit van 22 februari 2013, afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Bij brief van 17 juni 2016 is appellant in de gelegenheid gesteld om de gronden van zijn bezwaar uiterlijk op 15 juli 2016 in te dienen. Daarbij is vermeld dat het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk kan verklaren als appellant zijn gronden te laat indient.

1.5.

Appellant heeft per faxbericht van 20 juli 2016 de gronden van zijn bezwaar ingediend. Appellant heeft daarin gesteld dat hij de brief van 17 juni 2016 pas op 20 juli 2016 heeft ontvangen.

1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 21 juli 2016 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 maart 2016 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant de gronden van het bezwaar te laat heeft ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:389, heeft de rechtbank overwogen dat in geval van niet aangetekende verzending, het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het poststuk is verstuurd naar het juiste adres. Is dat aannemelijk gemaakt, dan is het aan de geadresseerde om feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Het Uwv heeft de verzending van de brief van 17 juni 2016 naar het juiste adres aannemelijk gemaakt, aangezien appellant deze brief heeft ontvangen op zijn adres. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de brief van 17 juni 2016 is verzonden naar hetzelfde adres als het besluit van 9 maart 2016 en het bestreden besluit, waartegen appellant tijdig rechtsmiddelen heeft ingesteld. De enkele stelling van appellant dat hij de brief van 17 juni 2016 pas op
20 juli 2016 heeft ontvangen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de tijdige ontvangst te betwijfelen. Appellant heeft niets aangevoerd over de gestelde latere ontvangst. Het Uwv heeft terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij een WAO-aanvraag heeft ingediend bij het Uwv. Appellant is ziek en kan niet werken.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Ook in hoger beroep heeft appellant geen feiten gesteld op grond waarvan de tijdige ontvangst van de brief van 17 juni 2016 zou kunnen worden betwijfeld. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Volstaan wordt met te verwijzen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van
S.L. Alves als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2017.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) S.L. Alves

AB