Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:314

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
15/2088 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geschiktheid voor de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2088 WIA

Datum uitspraak: 20 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

16 februari 2015, 14/1464 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Winia hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nog stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Winia. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 23 november 2011 ten gevolge van een herseninfarct links uitgevallen voor haar werk als [naam functie] voor 22,53 uur per week. Naar aanleiding van een op 21 augustus 2013 ingediende aanvraag heeft vervolgens een beoordeling plaatsgevonden op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat er sprake is van restverschijnselen na een doorgemaakt herseninfarct. De restverschijnselen betreffen met name geobjectiveerde lichte cognitieve stoornissen, vermoeidheidsklachten en een discrete krachtsvermindering van zowel de rechterarm als het rechterbeen. Op grond daarvan is het aannemelijk dat er beperkingen vast te stellen zijn ten aanzien van psychisch belastende factoren, ondanks dat er geen ernstige cognitieve stoornissen vastgesteld werden, en zijn er beperkingen ten aanzien van lichamelijke inspanningen in zijn algemeenheid en ten aanzien van grote krachtsuitoefeningen met de rechterhand. Gezien de vermoeidheidsverschijnselen en het gehele beeld is tevens een beperking ten aanzien van de werktijden aangenomen, ten aanzien van het verrichten van overwerk en ten aanzien van het werken in ploegendienst. De verzekeringsarts heeft vervolgens deze beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

10 september 2013. Daarna is een arbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat appellante niet geschikt is voor haar eigen werk, maar nog wel geschikt is voor een aantal andere functies, waarmee zij een verlies aan verdiencapaciteit heeft van 4,32%.

1.2.

Bij besluit van 14 oktober 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat zij per 23 november 2011 (lees: 20 november 2013) minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

2.1.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Het Uwv heeft te weinig rekening gehouden met haar moeite tot concentreren, verdelen van de aandacht, trager tempo van denken in informatieverwerking en haar overgevoeligheid voor omgevingsprikkels. Zij heeft daarbij te kennen gegeven dat de vermoeidheid haar grootste probleem is.

2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep, die aanwezig was bij de hoorzitting, heeft gerapporteerd op 11 maart 2014. In zijn rapport heeft hij gemotiveerd aangegeven waarom hij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de door de primaire verzekeringsarts opgestelde medische beperkingen en waarom geen verdergaande beperkingen ten aanzien van de werktijden nodig zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van

13 maart 2014 gemotiveerd uiteengezet geen aanleiding te zien om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige. Bij besluit van 14 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3. In beroep heeft appellante, ter onderbouwing van haar standpunt dat niet of onvoldoende rekening is gehouden met restverschijnselen na haar herseninfarct en dat zij ten gevolge van duizeligheid en forse vermoeidheid wel aangewezen is op een urenbeperking, naast brieven van haar behandelend reumatoloog en behandelend neuroloog, nog overgelegd een rapport van een medisch-deskundige mr. M.C. Huijsman, verzekeringsarts-RGA van

14 augustus 2014. Naar aanleiding hiervan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 september 2014 gemotiveerd aangegeven waarom hij geen aanleiding ziet om af te wijken van zijn eerder ingenomen standpunt met betrekking tot de belastbaarheid van appellante ten tijde van datum in geding. De stelling van Huijsman dat de vermoeidheidsklachten van appellante moeten worden vertaald naar een urenbeperking mist een medische onderbouwing en ten aanzien van de mogelijke benigne paroxysmale positieduizeligheid (BPPD) wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de brief van de behandelend neuroloog van 19 maart 2013, waarin is aangegeven dat de duizeligheid niet erger wordt bij bewegen waarmee BPPD feitelijk is uitgesloten.

4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid niet heeft onderschat. Daartoe heeft zij overwogen dat deze beperkingen zijn vastgesteld op basis van zorgvuldig onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv. Beide artsen hebben hun conclusies voldoende gemotiveerd. Met name acht de rechtbank de onderbouwing door de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarom geen verdergaande beperkingen ten aanzien van de werktijden nodig zijn voldoende draagkrachtig. De door appellante overgelegde medische informatie geeft geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank wijst daarbij nog op de brief van de behandelend neuroloog van19 maart 2013 waaruit naar voren komt dat neurologisch onderzoek geen duidelijke afwijkingen aan het licht heeft gebracht, dat er geen nieuwe bevindingen zijn ten aanzien van het oude media-infarct, en dat er een onduidelijk beeld is van duizeligheid en tintelingen zonder aanwijzingen voor nieuwe pathologie cerebraal, waarbij mogelijk spanningen/hyperventilatie een rol spelen. De brieven van de behandelend revalidatiearts zijn met name een weergave van de klachten van appellante. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een medisch deskundige te raadplegen. De rechtbank heeft voorts de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

5.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar medische beperkingen onvoldoende zijn erkend en dat zij wel in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. In dat kader heeft appellante een rapport psychologisch expertise-onderzoek van neuropsycholoog

drs. A.S.H. Mes van 9 september 2016 overgelegd.

5.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 5 december 2016, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

6. De Raad oordeelt als volgt.

6.1.

De rechtbank heeft de in beroep door appellante aangevoerde en in hoger beroep herhaalde gronden met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak afdoende besproken en toereikend gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de ter zake door de rechtbank gehanteerde overwegingen. Appellante heeft in hoger beroep evenmin als in beroep objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de in de FML vastgelegde functionele mogelijkheden van appellante op de datum hier in geding. Het in hoger beroep door appellante overgelegde NPO-onderzoek leidt evenmin tot twijfel. Met de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt de Raad vast dat in dit rapport door neuropsycholoog Mes is aangegeven dat, ondanks het feit dat er sprake is van een verminderd leervermogen en concentratieproblemen passend bij het CVA, de resultaten van het onderzoek met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd. De neuropsycholoog wijst daarbij op de lage scores op de WAIS die in discrepantie zijn met het opleidingsniveau van appellante en incongruent zijn met de bekende restverschijnselen van een CVA en dat deze lage scores tevens niet overeenkomen met de klinische indruk. Bovendien stelt neuropsycholoog Mes in dit rapport vast dat een aantal testen slechter zijn gemaakt dan bij het eerder neuropsychologisch onderzoek van mei 2012 en dat dit niet past bij het beeld van het beloop van een CVA. De neuropsycholoog kan niet uitsluiten dat andere factoren, zoals financiële druk, arbeidsongeschiktheid en onzeker perspectief, de testresultaten zullen drukken. De Raad kent aan dit rapport dan ook niet de waarde toe, die appellante er aan hecht. Er is dus geen aanleiding voor een nader medisch onderzoek.

6.2.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid, appellante in staat moet worden geacht om de geselecteerde functies te vervullen.

6.3.

Uit 6.1 en 6.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Nu met deze uitspraak de rechtmatigheid van het bestreden besluit komt vast te staan, moet het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) A.M.C. de Vries

TM