Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3137

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
16/1367 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn lichamelijke als psychische klachten dusdanig ernstig waren dat deze tot het aannemen van verdergaande arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden. toegenomen klachten en dat er diverse beperkingen zijn. Geen belemmering voor appellant om de maatgevende arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/1367, 16/3894 ZW

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

15 januari 2016, 15/2572 (aangevallen uitspraak 1) en 16 april 2016, 15/4680 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. van Zundert, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 19 juli 2017. Voor appellant is verschenen mr. Van Zundert. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als industrieel schoonmaker/heftruckchauffeur voor 36,33 uur per week toen hij op 15 mei 2009 uitviel wegens rugklachten. Na het doorlopen van de wachttijd heeft er een medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden en heeft het Uwv bij besluit van 5 juli 2011 geweigerd om appellant met ingang van 14 juli 2011 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij per die datum voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Volgens het Uwv was appellant met zijn beperkingen in staat tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan de hem voorgehouden functies van productiemedewerker industrie, machinebediende inpak-/verpakkingsmateriaal en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur. Bij besluit van 13 februari 2012 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juli 2011 ongegrond verklaard. Dit besluit staat, gelet op de uitspraak van de Raad van 19 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3908), in rechte vast.

1.2.

Appellant heeft zich op 6 april 2012 ziek gemeld wegens nek-, rug-, knie- en psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant is vervolgens in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Nadat appellant door een verzekeringsarts van het Uwv op 24 april 2013 was onderzocht, heeft het Uwv bij besluit van eveneens 24 april 2013 de uitkering ingevolge de ZW met ingang van 26 april 2013 beëindigd, omdat appellant weer in staat was de hem in het kader van de Wet WIA voorgehouden functies te vervullen en daarom niet langer arbeidsongeschikt in de zin van de ZW. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 2 juli 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak van
23 januari 2014 het beroep van appellant tegen het besluit van 2 juli 2013 ongegrond verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 9 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3159) de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.3.

Appellant heeft zich opnieuw vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontving, op
5 juni 2013 bij het Uwv ziek gemeld wegens toegenomen klachten. Na een medisch onderzoek op 5 augustus 2013 heeft een verzekeringsarts vastgesteld dat de medische beperkingen van appellant overeenstemmen met de bij de beoordeling in het kader van de Wet WIA vastgestelde beperkingen. Bij besluit van 5 augustus 2013 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 6 augustus 2013 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering omdat hij per die datum wederom geschikt wordt geacht voor de eerder in het kader van de Wet WIA geduide functies. Bij besluit van 1 november 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 augustus 2013 ongegrond verklaard.

1.4.

De WW-uitkering van appellant is voortgezet en vanuit die situatie heeft hij zich per
6 oktober 2014 opnieuw ziek gemeld wegens toegenomen klachten. Op 27 november 2014 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft op basis van bevindingen uit eigen onderzoek geconcludeerd dat niet is gebleken van verdergaande objectiveerbare beperkingen dan reeds vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die is opgesteld in het kader van de eerdere WIA beoordeling. Bij besluit van
27 november 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 28 november 2014 geen recht heeft op een ZW-uitkering, omdat hij met ingang van die datum geschikt wordt geacht tot het vervullen van de in het kader van de Wet WIA voorgehouden functie van wikkelaar. Bij besluit van 10 maart 2015 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 november 2014 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit 1 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 maart 2015 ten grondslag.

1.5.

Appellant heeft zich vervolgens op 10 maart 2015 opnieuw vanuit de situatie dat hij een WW-uitkering ontving, bij het Uwv ziek gemeld wegens toegenomen klachten. Op
26 maart 2015 heeft appellant het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft appellant per 27 maart 2015 weer geschikt geacht voor de in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functie van wikkelaar. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2015 vastgesteld dat appellant vanaf 27 maart 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 16 juni 2015 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juni 2015 ten grondslag

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Samengevat heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig is geweest en dat het onderzoek de getrokken conclusie kan dragen.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort samengevat, in de beroepsgronden van appellant geen reden gezien de juistheid van het medisch oordeel dat aan bestreden besluit 2 ten grondslag ligt in twijfel te trekken.

3.1.

Appellant heeft zich niet met de uitspraken van de rechtbank kunnen verenigen. In de hoger beroepen tegen de aangevallen uitspraken heeft appellant, onder verwijzing naar wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat de rechtbank niet of onvoldoende is ingegaan op zijn beroepsgronden. Appellant is van mening dat zowel zijn lichamelijke als psychische klachten ernstiger zijn dan door het Uwv wordt aangenomen en dat de verzekeringsartsen ten onrechte geen informatie hebben ingewonnen bij de behandelend sector. Voorts is voorbij gegaan aan zijn verzoek om het onderzoek bij Spine & Joint Centre en de opvolgend psychiater af te wachten. Appellant heeft er op gewezen dat de verzekeringsartsen niet op de stoel van de specialist mogen gaan zitten. Verder is voorbij gegaan aan het feit dat een verwijzing naar Spine & Joint Centre alleen plaatsvindt bij zeer ernstige klachten en dat er bij Spine & Joint Centre een lange wachtlijst was waardoor het onderzoek pas ruim na de data in geding heeft plaatsgevonden. Ook is voorbij gegaan aan de GAF-score van 41-50. Deze score betekent volgens appellant dat sprake is van zeer ernstige psychische klachten. Zowel de rechtbank, het Uwv, als de Riagg hebben de psychische klachten ten onrechte als matig gekwalificeerd. Voorts heeft er ten onrechte geen arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraken te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de medische onderzoeken door het Uwv zorgvuldig zijn geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant besproken en voldoende gemotiveerd waarom deze niet slagen. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden geheel onderschreven.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens in het geding gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden. Ook overigens heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op de data in geding zijn lichamelijke als psychische klachten dusdanig ernstig waren dat deze tot het aannemen van verdergaande arbeidsbeperkingen hadden moeten leiden. De voorhanden zijnde medische informatie, in het bijzonder de medische informatie van de Riagg en Spine & Joint Centre waarop door appellant een beroep is gedaan, biedt daarvoor geen grond.

4.4.

Uit de in beroep overgelegde stukken van de Riagg blijkt dat appellant in juni 2011 onder behandeling is gekomen van sociaal psychiatrisch verpleegkundige (spv) F. Lopes Martins da Veiga en dat hij een aantal keer is gezien door psychiater M.A.V. van Verschuer. De behandeling is in december 2014 beëindigd als gevolg van het faillissement van de Riagg (Rijnmond). Uit het verloop van de behandeling blijkt dat bij appellant sprake is van een depressie, matig van ernst, en diverse psychosociale problemen. Zowel de spv als de psychiater stellen in oktober 2014 dat de depressieve klachten gedeeltelijk in remissie zijn, de stemming verbeterd is, maar dat er nog wel problemen zijn rond de uitkeringssituatie. Zowel de spv als de psychiater beschrijven geen onderzoeksbevindingen die het bestaan van een zeer ernstige depressie of een verslechtering van de psychische toestand in 2014 en 2015 bevestigen. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de verzekeringsartsen van het Uwv de psychische toestand van appellant op de data in geding onjuist hebben ingeschat.

4.5.

De stelling van appellant dat het faillissement van de Riagg hem niet mag worden tegengeworpen, omdat hij daardoor tussen wal en schip is geraakt, wordt niet gevolgd. Uit de door appellant in beroep overgelegde stukken blijkt het volgende. Bij brief van
23 december 2014 heeft Parnassia Groep appellant direct de mogelijkheid geboden om de behandeling bij hen voort te zetten. Appellant heeft dit aanbod afgeslagen, zo is ook ter zitting bevestigd door de gemachtigde van appellant, omdat hij onder behandeling van spv Lopes Martins da Veiga wilde blijven, met name vanwege de taal. Vervolgens is appellant pas in april 2015 opnieuw door de huisarts verwezen naar de GGZ en is appellant op
11 december 2015 gezien door psychiater L. Bamburac. In hoger beroep heeft appellant te kennen gegeven dat de behandeling bij psychiater Bamburac pas medio 2016 van start is gegaan. Anders dan appellant heeft gesteld, blijkt uit het verloop niet dat de huisarts appellant direct na het faillissement van de Riagg heeft doorverwezen, dan wel dat de psychische situatie van appellant dusdanig ernstig was dat hij direct verdere behandeling nodig had. Dat het dossier van appellant door het faillissement niet voorhanden was of destijds zoek is geraakt waardoor niet eerder een behandeling kon plaatsvinden, wordt evenmin gevolgd.

4.6.

Ook wordt appellant niet gevolgd in wat hij heeft aangevoerd met betrekking tot de
GAF-score van 41-50. Het GAF-systeem is bedoeld om in het kader van een behandeling enig handvat te geven voor een beoordeling van het beloop daarvan; het is niet bedoeld om daarmee beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren vast te leggen, dan wel om de arbeidsongeschiktheid te beoordelen (zie onder meer de uitspraak van de Raad van
11 april 2012, ECLI:NL:CRVB: 2012:BW1513 en 23 april 2014, CLI:NL:CRVB:2014:1343). Aan de door de Riagg vermelde GAF-score wordt daarom niet de waarde gehecht die appellant eraan gehecht wenst te zien.

4.7.

Appellant wordt evenmin gevolgd in zijn stelling dat sprake is van zeer ernstige lichamelijke klachten en dat het niet mogelijk was om therapie te volgen bij het Spine & Joint Centre. Uit de in beroep overgelegde informatie van het Spine & Joint Centre van 13 oktober 2015 blijkt dat er met name sprake is van verhoogde spierspanning. Uit het onderzoek blijkt niet dat er geen behandeling bij Spine & Joint mogelijk was, noch dat sprake was van zeer ernstige klachten. Vanwege een groot aantal herstelbelemmerde factoren, zoals pijnfocus, negatieve verwachting voor therapie en verminderde leer- en trainbaarheid, is appellant niet onder behandeling genomen en heeft Spine & Joint Centre appellant terugverwezen naar de huisarts voor een vervolgtraject.

4.8.

Niet wordt miskend dat bij appellant, in vergelijking met 2011, sprake is van toegenomen klachten en dat er diverse beperkingen zijn. Deze beperkingen vormen echter geen belemmering voor appellant om de maatgevende arbeid te verrichten, zijnde de functie van wikkelaar die in het kader van de Wet WIA voor appellant destijds is geselecteerd. Daarbij wordt van belang geacht dat in de FML van 31 januari 2012 die in het kader van de
WIA-beoordeling is opgesteld en die het uitgangspunt is voor de onderhavige
ZW-beoordelingen, reeds beperkingen zijn opgenomen voor wat betreft de rug- en knieklachten en een verminderde psychische belastbaarheid.

4.9.

Het verzoek van appellant om een onafhankelijk deskundige te benoemen wordt afgewezen. De onderbouwing van de bestreden besluiten door de verzekeringsartsen is gezien al het voorgaande overtuigend. De noodzakelijke twijfel om tot het benoemen van een deskundige over te gaan ontbreekt.

5. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.9 volgt dat de hoger beroepen niet slagen en de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, in tegenwoordigheid van
I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
30 augustus 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.G.A.H. Toma

AB