Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
16/1924 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de medische adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat deze een toereikende grondslag bieden voor het bestreden besluit. Alle beschikbare medische informatie betrokken bij onderzoek, recente informatie allergoloog in aanvullend medisch advies. Niet met (medische) stukken aannemelijk gemaakt dat geen gebruik kan gemaakt van Regiotaxi of op medische gronden aangewezen op individueel rolstoeltaxivervoer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/1924 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 februari 2016 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis (college)

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.E. Centen-Mölgaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Centen-Mölgaard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door W.E.C. Veltkamp.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ondervindt beperkingen als gevolg van een in 1998 gestelde diagnose inspanningsgebonden paroxysmale dystonie, endometriose, astma en allergieën. In verband met haar beperkingen zijn aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verschillende voorzieningen toegekend, waaronder, hier van belang, een financiële tegemoetkoming voor rolstoeltaxivervoer.

1.2.

Naar aanleiding van de verhuizing van appellante van [plaatsnaam 1] naar [plaatsnaam 2] is het college een onderzoek gestart naar de noodzaak van de verschillende voorzieningen. In dit kader heeft medisch adviseur S.J. Heemstra van Argonaut op 11 november 2014 een medisch advies uitgebracht.

1.3.

Bij besluit van 2 december 2014 heeft het college onder verwijzing naar het medisch advies van 11 november 2014 de financiële tegemoetkoming voor rolstoeltaxivervoer per 1 januari 2015 beëindigd en aan appellante een pas voor de Regiotaxi toegekend. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.4.

In bezwaar heeft de medisch adviseur op 22 april 2015 een aanvullend medisch advies uitgebracht.

1.5.

Bij besluit van 21 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2014 ongegrond verklaard. Volgens het college blijkt uit de medische adviezen dat appellante, voor zover hier van belang, niet noodzakelijkerwijs is aangewezen op individueel vervoer en dat zij gebruik kan maken van de Regiotaxi. Er is weliswaar sprake van meer dan gemiddelde allergische problematiek, maar de gevolgen hiervan zijn behandelbaar. De medische adviezen zijn zorgvuldig tot stand gekomen en deze mogen aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Voor zover van belang, heeft de rechtbank overwogen dat de medische adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat appellante niet medisch heeft onderbouwd dat haar beperkingen ertoe leiden dat zij echt helemaal niets meer (zelf) kan. Het college heeft met het bestreden besluit aan de compensatieverplichting van artikel 4 van de Wmo voldaan.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en zich, voor zover nu nog van belang, op het standpunt gesteld dat zij wegens haar aandoeningen en beperkingen is aangewezen op individueel rolstoeltaxivervoer.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan het bestreden besluit heeft het college het medisch advies van 11 november 2014 en het aanvullend medisch advies van 22 april 2015 ten grondslag gelegd. In het medisch advies van 11 november 2014 is vermeld dat uit de ingewonnen medische informatie blijkt dat de diagnose inspanningsgebonden dystonie bij de huidige stand van de wetenschap niet (meer) kan worden gesteld en dat bij appellante sprake lijkt te zijn van een functioneel beeld. Volgens de medisch adviseur doet dit echter niet af aan het feit dat appellante wel klachten ervaart en dat niet kan worden gesteld dat er niets aan de hand is bij appellante. Omdat de verschillende voorzieningen al jaren aan appellante zijn toegekend, acht de medisch adviseur consolidatie daarvan aangewezen. De medisch adviseur acht appellante medisch gezien in staat om gebruik te maken van de Regiotaxi. In het aanvullend medisch advies van

22 april 2015 is vermeld dat uit recent onderzoek van de allergoloog is gebleken dat bij appellante sprake is van een atopische constitutie, namelijk bronchiale hyperreactiviteit. De allergoloog heeft aangegeven dat er nog behandelmogelijkheden zijn om de ernst van de klachten te behandelen, zodat er nog geen eindtoestand is. Volgens de medisch adviseur is de atopische constitutie van appellante een gegeven en zal zij keuzes moeten maken om blootstelling aan geuren en luchtjes te voorkomen. Strikt genomen is er volgens de medisch adviseur geen medische noodzaak voor een vervoersvoorziening.

4.2.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de medische adviezen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat deze een toereikende grondslag bieden voor het bestreden besluit. Daartoe wordt overwogen dat alle beschikbare medische informatie is betrokken bij het onderzoek en dat recente informatie van de allergoloog heeft geleid tot het aanvullend medisch advies van 22 april 2015. Appellante heeft ook in hoger beroep niet met (medische) stukken aannemelijk gemaakt dat zij geen gebruik zou kunnen maken van de Regiotaxi of dat zij op medische gronden is aangewezen op individueel rolstoeltaxivervoer.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak – voor zover aangevochten – voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) B. Dogan

AB