Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
16/1340 AWBZ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:280, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering pgb. Niet voldaan aan de verplichting om het pgb alleen te besteden aan AWBZ-zorg.

Wetsverwijzingen
Regeling subsidies AWBZ
Regeling subsidies AWBZ 2.6.9
Besluit zorgaanspraken AWBZ
Besluit zorgaanspraken AWBZ 6
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Algemene wet bestuursrecht 4:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/398

Uitspraak

16/1340 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 januari 2016, 15/3022 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 6 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.A. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingediend.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2017. Namens appellant is verschenen mr. Van den Berg en [X.] (vader van appellant). Het Zorgkantoor heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

CIZ heeft appellant geïndiceerd voor een zorgzwaartepakket GGZ 3C. Appellant heeft met de [naam stichting] ([naam stichting]) een zorgovereenkomst afgesloten. Met ingang van 1 januari 2013 was appellant woonachtig in het verblijfhuis van [naam stichting], een gezamenlijk wooninitiatief opgericht door ouders.

1.2.

Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 18 december 2013 op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) aan appellant voor het jaar 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 34.328,24 (netto).

1.3.

In de periode november 2013 tot oktober 2014 heeft appellant bij zijn ouders gewoond. Per 1 oktober 2014 heeft appellant de zorgovereenkomst met [naam stichting] beëindigd.

1.4.

Appellant heeft op 23 juli 2014 een verantwoordingsformulier over de eerste helft van het jaar 2014 ingediend. Hierop is vermeld dat appellant in deze periode een bedrag van
€ 16.932,- heeft betaald voor zorg verleend door [naam stichting].

1.5.

Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 12 november 2014 de verantwoording van het pgb over de eerste helft van 2014 afgekeurd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant niet woonachtig is bij [naam stichting] en het niet mogelijk is om zorg te declareren als deze niet is geleverd.

1.6.

Appellant heeft op 27 januari 2015 een verantwoordingsformulier over de tweede helft van het jaar 2014 ingediend. Hierop is vermeld dat appellant in deze periode een bedrag van
€ 8.466,- heeft betaald voor zorg verleend door [naam stichting].

1.7.

Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 20 februari 2015 het pgb voor het jaar 2014 vastgesteld. Daarbij heeft het Zorgkantoor overwogen dat aan appellant een pgb van
€ 34.330,34 is verleend, dat een verantwoordingsvrij bedrag van € 514,96 geldt en dat van de door appellant ingezonden verantwoording een bedrag van € 8.466,- wordt geaccepteerd. Dit betekent dat van appellant een bedrag van € 25.349,38 wordt teruggevorderd.

1.8.

Bij besluit van 2 april 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 12 november 2014 en van 20 februari 2015 gegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft de geleverde zorg over de eerste helft van 2014 voor wat betreft begeleiding individueel voor een bedrag van € 1.315,97 alsnog ten laste van het pgb laten komen, nu appellant deze begeleiding daadwerkelijk heeft gekregen van [naam stichting]. Met inachtneming hiervan wordt een totaalbedrag van € 9.781,97 geaccepteerd. Rekening houdend met het verantwoordingsvrije bedrag van € 514,96, heeft het Zorgkantoor de terugvordering verminderd tot een bedrag van € 24.033,41. De kosten die voor algemene begeleiding in rekening zijn gebracht, blijven afgekeurd, omdat het Zorgkantoor niet heeft kunnen vaststellen dat die zorg is geleverd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. Namens appellant is op de zitting verklaard dat het beroep uitsluitend betrekking heeft op de afkeuring en terugvordering ten aanzien van de eerste helft van 2014. Appellant verbleef gedurende de eerste helft van 2014 niet in het verblijfhuis van [naam stichting], maar bij zijn ouders. In die periode heeft appellant van [naam stichting] zelf feitelijk geen algemene begeleiding ontvangen. De in dat kader aan [naam stichting] betaalde facturen hebben betrekking gehad op de exploitatie van het verblijfhuis, waarbij het pgb is gebruikt voor de instandhouding van de collectieve zorg. Het pgb is niet bedoeld voor het in stand houden van een vangnet of de financiering van een verblijfhuis, terwijl iemand daar niet verblijft. Het beroep van appellant dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, nu de algemene zorgkosten van andere cliënten van [naam stichting] wel zijn goedgekeurd, terwijl ook zij minimale persoonlijke zorg afnamen, slaagt niet. Er is geen sprake van gelijke gevallen. Blijkens het verhandelde ter zitting hebben de andere personen – in tegenstelling tot appellant – destijds wel in het verblijfhuis van [naam stichting] verbleven en daar zorg ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat het Zorgkantoor in wat appellant heeft aangevoerd geen reden heeft hoeven te zien om van terugvordering af te zien.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het pgb is gebruikt om het wooninitiatief van [naam stichting] in stand te houden, net als het pgb van de andere deelnemers aan het wooninitiatief. De algemene begeleiding ziet op de collectiviteit van het wooninitiatief en moet door iedere bewoner altijd worden betaald, ook als een betrokkene tijdelijk geen gebruik kan maken van het netwerk en/of de woning. Tijdens het tijdelijk verblijf van appellant op zijn logeeradres heeft het team van het wooninitiatief contact onderhouden met (de ouders van) appellant om ervoor zorg te dragen dat appellant naar de beschermde woonomgeving kan terugkeren. De begeleiding van het wooninitiatief was tijdens dit verblijf ook altijd beschikbaar voor appellant. Ten onrechte is geoordeeld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de verantwoording van de besteding van het door het Zorgkantoor aan appellant verleende pgb over de eerste helft van 2014.

4.2.

Op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa mag het pgb alleen worden gebruikt voor de zorgfuncties persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en vervoer en kortdurend verblijf (AWBZ-zorg).

4.3.

Artikel 6, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (BzA) bepaalt dat begeleiding activiteiten omvat aan verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van de sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie, of die matig of zwaar probleemgedrag vertonen. Ingevolge het tweede lid zijn de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekken deze tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde. Het derde lid bepaalt dat de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen, het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of het overnemen van toezicht op de verzekerde.

4.4.

Niet in geschil is dat appellant in de eerste helft van 2014 niet heeft verbleven in een verblijfhuis van [naam stichting], maar bij zijn ouders. In deze periode hebben de begeleiders van [naam stichting] contact onderhouden met appellant. Deze begeleiding heeft [naam stichting] gefactureerd als begeleiding individueel. Het Zorgkantoor heeft deze kosten alsnog goedgekeurd, omdat deze begeleiding daadwerkelijk is geleverd. De overige kosten die in de eerste helft van 2014 door [naam stichting] in rekening zijn gebracht, zijn gefactureerd als algemene begeleiding. Volgens appellant ziet de algemene begeleiding op de collectiviteit van het wooninitiatief en de instandhouding van de collectieve zorg. Deze kosten moeten volgens appellant door iedere bewoner worden betaald, ook als diegene geen gebruik maakt van het netwerk en/of de woning. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een e-mail van [naam stichting] overgelegd, waarin is aangegeven dat het zorgvangnet uit de gezamenlijke pgb’s betaald wordt en dat het een soort verzekering genoemd kan worden waardoor een bewoner altijd een beroep kan doen op begeleiding en voorzieningen. Evenals het Zorgkantoor en de rechtbank is de Raad van oordeel dat [naam stichting] in de betreffende periode aan appellant geen AWBZ-zorg heeft verleend, behalve dan de voornoemde individuele begeleiding. Daadwerkelijke algemene begeleiding heeft appellant in deze periode niet gekregen. Anders dan appellant betoogt, is het permanent beschikbaar en bereikbaar zijn van een instelling, waarbij er geen daadwerkelijke zorg wordt geleverd en er slechts sprake is van een vangnetfunctie, geen zorg in de zin van de AWBZ. De ter zitting overgelegde e-mail van [naam stichting] brengt hierin geen verandering.

4.5.

Gelet op het vorenstaande volgt dat appellant niet heeft voldaan aan de in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a van de Rsa opgenomen verplichting om het pgb alleen te besteden aan AWBZ-zorg en dat het Zorgkantoor op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd was om het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.6.

Het Zorgkantoor moet de discretionaire bevoegdheid om het pgb lager vast te stellen uitoefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Niet kan worden geoordeeld dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid tot de door hem gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. De rechtbank heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel terecht verworpen, nu niet gebleken is dat er sprake is van gelijke gevallen.

4.7.

Nu het Zorgkantoor in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het lager vaststellen van het pgb gebruik heeft gemaakt, heeft het Zorgkantoor aan appellant onverschuldigd een bedrag van € 24.033,41 aan voorschotten betaald. Het Zorgkantoor is bevoegd tot terugvordering daarvan over te gaan. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2017.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) I.G.A.H. Toma

AB