Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
15/4742 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven van het besluit van 5 maart 2004 terug te komen. De verzekeringsarts heeft voldoende toegelicht dat het beroep van appellante op de regeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid niet slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/4742 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 juli 2015, 14/3390 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 8 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.E.A.H. Verstraelen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een rapport ingezonden, waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraelen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren op [geboortedag] 1985. Op 22 november 2003 heeft zij een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong 1998) ingediend bij het Uwv. Bij besluit van 5 maart 2004 heeft het Uwv geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wajong 1998 toe te kennen, omdat appellante op en na 1 augustus 2003 minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht. Aan dit besluit liggen ten grondslag een rapport van een verzekeringsarts van 27 februari 2004 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 5 maart 2004. Appellante heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen dit besluit.

1.2.

Op 21 juli 2006 heeft appellante het Uwv gemeld dat haar gezondheidstoestand is verslechterd. Zij heeft het Uwv verzocht haar een uitkering toe te kennen. Bij besluit van
29 december 2006 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarden neergelegd in artikel 19 van de Wajong 1998. Appellante heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Op 3 april 2014 heeft appellante een aanvraag om arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) ingediend bij het Uwv. Bij besluit van 5 mei 2014 heeft het Uwv afwijzend beslist. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld die aanleiding geven van het besluit van 5 maart 2004 terug te komen. Bij besluit van 15 oktober 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 5 mei 2014 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1). De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante met haar aanvraag herziening van het besluit van 5 maart 2004, ook voor de toekomst, heeft beoogd en eveneens een zogenoemde Amber-beoordeling heeft beoogd. De rechtbank heeft daarover overwogen dat appellante bij haar herhaalde aanvraag geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. De diagnose fibromyalgie kan niet beschouwd worden als een nieuw feit of omstandigheid. Het Uwv was dan ook bevoegd de herhaalde aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijzen. Voor zover de aanvraag van appellante betrekking heeft op de toekomst voldeed de aanvraag evenmin aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank heeft verder overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in beroep uiteengezet heeft dat er geen reden is om aan te nemen dat de beperkingen van appellante binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd op achttienjarige leeftijd zijn toegenomen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Zij heeft ter ondersteuning van haar standpunt een rapport ingezonden van medisch adviseur/verzekeringsarts M. Blom van 8 juni 2016. Naar de visie van appellante volgt uit de vaststelling dat er in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 november 2006 meer beperkingen zijn aangenomen dan in de FML van 27 februari 2004, dat haar medische situatie ten opzichte van 2004 is verslechterd.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat de aanvraag van appellante van 3 april 2014 er primair toe strekte dat het Uwv terug komt van zijn besluit van 5 maart 2004 en dat appellante daarmee – voor zover relevant voor dit geding – eveneens beoogd heeft een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid te doen per 21 juli 2006. Niet beoogd is dat het UWV terugkomt van zijn besluit van 29 december 2006. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante te kennen gegeven dat in hoger beroep nog uitsluitend in geding is het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in beroep voldoende heeft toegelicht dat het beroep van appellante op de regeling van toegenomen arbeidsongeschiktheid niet slaagt.

4.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 29 december 2006 vastgesteld dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden voor toegenomen arbeidsongeschiktheid als neergelegd in artikel 19 van de Wajong 1998. Nu appellante destijds geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen dit besluit, staat dit besluit in rechte vast. Indien mocht blijken dat de recente hartproblemen van appellante verband houden met eerdere medische problemen, kan appellante eventueel een nieuwe aanvraag indienen.

4.3.

Wat in 4.1 en 4.2 is overwogen, leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2017.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) H. Achtot

AB