Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3129

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
14-09-2017
Zaaknummer
13/5615 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Te late ziekmelding. Boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5615 ZW

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 september 2013, 13/4668 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[naam B.V.] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J. Hendriks, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2015. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Hendriks. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is eigenrisicodrager voor de Ziektewet (ZW). Voor de uitvoering in verband met het zijn van eigenrisicodrager heeft appellante een contract gesloten met een private uitvoerder, [A.] B.V. ([A.]). [naam werkneemster] (werkneemster) is vanaf 31 juli 2012 als uitzendkracht voor appellante werkzaam geweest. Op 3 december 2012 heeft zij zich ziek gemeld. Appellante heeft daarvan op 3 december 2012 met een formulier Ziekteaangifte eigenrisicodrager melding gedaan bij het Uwv.

1.2.

Op 5 maart 2013 heeft appellante een formulier “Ziekteaangifte in verband met aanvraag Ziektewet-uitkering” ingediend bij het Uwv waarin is vermeld:

“Mijn werknemer ontvangt een WAO- of WIA-uitkering of kreeg deze uitkering in de 5 jaar voordat hij bij mij in dienst kwam”.

1.3.

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft het Uwv aan appellante een boete opgelegd ter hoogte van € 455,-. Aan dit besluit heeft het Uwv het standpunt ten grondslag gelegd dat appellante verplicht is ziekteaangifte te doen van een werkneemster die mogelijk recht heeft op een

ZW-uitkering uiterlijk binnen zes weken na de eerste ziektedag dan wel binnen vier dagen nadat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de werkneemster aanspraak zou kunnen maken op een ZW-uitkering. Volgens het Uwv kan het appellante als werkgever altijd redelijkerwijs duidelijk zijn dat de werknemer recht heeft op ZW-uitkering als het dienstverband langer dan twee maanden heeft geduurd.

1.4.

Het tegen het besluit van 12 maart 2013 gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard bij zijn besluit van 7 mei 2013 (bestreden besluit). Daaraan is ten grondslag gelegd dat het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat werkneemster aanspraak kon maken op ZW-uitkering. Appellante heeft geen navraag gedaan bij werkneemster. De status van werkneemster had al duidelijk kunnen zijn vanaf de eerste ziektedag van

3 december 2012. Tevens heeft het Uwv overwogen dat op basis van de op 19 februari 2013 aan [A.] toegezonden loongegevens, het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat werkneemster aanspraak kon maken op een ZW-uitkering. De oorzaak van de te late melding is echter dat appellante heeft nagelaten navraag te doen bij werkneemster. De boete van

€ 455,- wordt gehandhaafd aangezien appellante meer dan 28 dagen te laat ziekteaangifte heeft gedaan.

2. Het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet binnen

zes weken na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid van werkneemster ziekteaangifte heeft gedaan. Werkneemster was sinds 31 juli 2012 werkzaam bij appellante. Volgens de rechtbank had appellante vanaf begin oktober 2012 bij werkneemster navraag kunnen doen of voor haar de status werknemer met beperkingen gold. Dat appellante dit om haar moverende redenen heeft nagelaten en daarmee heeft gewacht tot werkneemster zich ziek had gemeld, dient voor rekening van appellante te komen. Reeds hierom had het appellante redelijkerwijs vóór de ziekmelding van werkneemster duidelijk kunnen zijn dat werkneemster over de status werknemer met beperkingen beschikte. Daarom kan appellante de te late ziekmelding worden tegengeworpen. Overigens heeft appellante evenmin kenbaar binnen vier dagen na de ziekmelding navraag gedaan bij de werkneemster. Uit de stukken valt niet op te maken dat dit onderwerp van gesprek is geweest tussen werkneemster en [A.], voorafgaande aan
5 maart 2013. De in beroep overgelegde schriftelijke verklaring van de casemanager dat daarnaar is gevraagd, maar dat werkneemster ontkennend heeft geantwoord, legt onvoldoende gewicht in de schaal, aangezien de casemanager niet als onpartijdig in deze kwestie kan worden aangemerkt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de afstemming van de hoogte van de boete op de ernst van de gedraging reeds is gemaakt door de wetgever bij het opstellen van de hier van belang zijnde bepalingen.

3.1.1.

Appellante kan zich niet vinden in deze uitspraak en voert aan dat zij tijdig navraag heeft gedaan bij werkneemster naar haar status van arbeidsgehandicapte. Gezien het bepaalde in artikel 38b, tweede lid, van de ZW heeft de rechtbank miskend dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij niet vóór de ziekmelding bij werkneemster navraag heeft gedaan naar haar status, aangezien daartoe geen wettelijke verplichting bestaat. Een standaard navraag nadat het dienstverband twee maanden heeft geduurd is niet in redelijkheid van appellante als werkgeefster te vergen en zal in negen van de tien gevallen nutteloos zijn, terwijl het een administratieve last oplevert. Eerst bij een ziekmelding ontstaat er aanleiding om navraag te doen en dat is gedaan. Appellante is van oordeel dat haar gedraging niet beboetbaar is.

3.1.2.

Ook heeft de rechtbank volgens appellante ten onrechte overwogen dat appellante niet kenbaar binnen vier dagen na de ziekmelding navraag heeft gedaan bij werkneemster. Daartoe bestaat evenmin een wettelijke plicht. Volgens artikel 38a, derde lid, van de ZW, hoeft een melding pas na zes weken na de eerste ziektedag plaats te vinden, of, zoveel later het de werkgever redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat werkneemster recht kon doen gelden op een uitkering ingevolge de ZW. Er is geen sprake van een overtreding aangezien appellante binnen vier dagen nadat het haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de werkneemster aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de ZW, melding heeft gedaan bij het Uwv, namelijk op 5 maart 2013.

3.1.3.

Appellante heeft wel degelijk tijdig navraag gedaan bij werkneemster over haar status, wat volgt uit onder meer de strikte werkbeschrijving dat tijdens het 2e contact op de vijfde ziektedag gevraagd dient te worden of de verzekerde rechten kan ontlenen aan de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) of de ZW. De casemanager heeft dit nagevraagd en zij heeft geen reden of belang van die procedure af te wijken. Haar verklaring is niet vals. Het Uwv heeft daar slechts een telefoonnotitie van het Uwv van een gesprek tussen werkneemster en een medewerker van het Uwv tegenover gesteld, waarbij niet duidelijk is of werkneemster de vraag goed heeft begrepen. Bovendien is bij werkneemster begin december en in januari navraag gedaan en heeft zij niet voldaan aan haar informatieplicht op grond van artikel 38b, eerste lid, van de ZW zodat zij er belang bij heeft gehad tegenover het Uwv te ontkennen dat reeds eerder navraag is gedaan.

3.1.4.

Voorts heeft appellante aangevoerd dat geen sprake is van verwijtbaarheid ten aanzien van het niet eerder melden aangezien werkneemster bij navraag bij herhaling ontkennend heeft geantwoord op de vraag of zij eerder een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen. Dat zou mogelijk ook het geval zijn geweest bij eerdere navraag. Ook heeft appellante aangevoerd dat wegens de inrichting van het interne systeem, onder meer met het oog op privacyregels, de loongegevens niet direct ter beschikking waren voor de casemanager.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Volgens het Uwv dient het voor rekening en risico te komen van appellante dat zij er voor heeft gekozen niet reeds in oktober 2012 navraag te doen bij werkneemster naar haar mogelijke aanspraak op

ZW-uitkering. Het had appellante op 3 december 2012 duidelijk kunnen zijn dat werkneemster aanspraak kan maken op ZW-uitkering. Aan de verklaring van de casemanager dat zij werkneemster begin december 2012 en op 14 januari 2013 heeft gevraagd of zij aanspraak kan maken op een ZW-uitkering mag volgens het Uwv wegens het ontbreken van aantekeningen en het ontbreken van onpartijdigheid, niet de waarde gehecht worden die appellante daaraan gehecht wenst te zien. Volgens het Uwv heeft appellante pas op
5 maart 2013, dus te laat, werkneemster naar haar mogelijke aanspraak op ZW-uitkering bevraagd. Op 19 februari 2013 ontving appellante bovendien desgevraagd de loongegevens van het Uwv en daaruit blijkt dat het Uwv in 2012 aan werkneemster een WAO-uitkering betaalde. Het had appellante in ieder geval op 19 februari 2013 redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat werkneemster mogelijk aanspraak had op ZW-uitkering.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat werkneemster aanspraak kon maken op ZW-uitkering op grond van artikel 29b van de ZW. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat appellante op grond van artikel 38a, derde lid, van de ZW in beginsel verplicht is om binnen zes weken na de eerste ziektedag daarvan melding te doen bij het Uwv. Appellante heeft dit eerst op 5 maart 2013 aan het Uwv gemeld. Vast staat dan ook dat geen ziekteaangifte is gedaan binnen de in artikel 38a, derde lid, van de ZW genoemde termijn.

4.2.

Dit betekent dat vervolgens op grond van artikel 38b, tweede lid, van de ZW de vraag aan de orde is of appellante de melding zo spoedig mogelijk heeft gedaan, in elk geval niet later dan de vierde dag na het tijdstip waarop het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat werkneemster aanspraak op ziekengeld kan maken op grond van artikel 29b van de ZW.

4.3.

In artikel 38b, eerste lid, van de ZW is een verplichting neergelegd voor de werknemer om na twee maanden na aanvang van de dienstbetrekking desgevraagd informatie te geven over zijn mogelijke aanspraken op ziekengeld. Appellante had dus al vanaf begin oktober 2012 navraag kunnen doen bij werkneemster. Zoals de Raad eerder heeft overwogen komt het voor rekening en risico van appellante dat zij geen navraag bij werkneemster heeft gedaan direct na ommekomst van twee maanden na aanvang van de dienstbetrekking. Zie de uitspraak van de Raad van 20 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2507. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat het Uwv de boete terecht heeft gebaseerd op de grond dat het appellante, gezien artikel 38b, eerste lid, van de ZW, op 3 december 2012 redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat werkneemster aanspraak kon maken op

ZW-uitkering.

4.4.

De verklaring van de casemanager van appellante, die inhoudt dat de casemanager op

17 december 2012 contact heeft gehad met werkneemster over eerdere aanspraken op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en dat vragen daarover ontkennend zijn beantwoord, leidt niet tot een ander oordeel. Ook als van de door het Uwv betwiste verklaring van de casemanager wordt uitgegaan, dan nog had het appellante gezien het overwogene in 4.3 op

3 december 2012 redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat werkneemster aanspraak kon maken op ZW-uitkering. Gelet op de tijd die appellante heeft gehad voor onderzoek vanaf het moment dat werkneemster twee maanden in dienst was, kan aan haar verwachting dat werkneemster mogelijk ook dan zou hebben ontkend dat zij eerder recht heeft gehad op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet het belang worden gehecht wat appellante daaraan gehecht wenst te zien. Dat het Uwv aan appellante de loongegevens op 19 februari 2013 heeft toegezonden, doet evenmin af aan het gegeven dat appellante eerder onderzoek had kunnen doen.

4.5.

Dit betekent dat appellante haar verplichting als bedoeld in artikel 38a, derde lid, van de ZW in verbinding met artikel 38b, tweede lid, van de ZW niet is nagekomen en dat het Uwv op grond van 38a, achtste lid, van de ZW een boete van ten hoogste € 455,- op dient te leggen. Ingevolge het bepaalde van artikel 2b, eerste lid onder c, van het Boetebesluit sociale verzekeringswetten, zoals dat luidde ten tijde in geding, bedraagt de hoogte van de boete
€ 455,- indien de aangifte van de ongeschiktheid tot werken 28 kalenderdagen of meer te laat is gedaan. Daarvan is hier sprake.

4.6.

Onder verwijzing naar overwegingen 6.3 tot en met 6.7 van de uitspraak van de Raad van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3754 wordt overwogen dat ook in dit geval geen sprake is van een wettelijk vastgestelde boete. Uit de tekst van artikel 38a, achtste lid, van de ZW, volgt niet dat het om een vastgestelde boete gaat. Volgens de tekst van artikel 38a, achtste lid, gaat het om een ten hoogste op te leggen boete. In artikel 38a, achtste lid, van de ZW is artikel 45a, achtste lid, van de ZW van overeenkomstige toepassing verklaard, op grond waarvan het Uwv de boete kan verlagen bij verminderde verwijtbaarheid en van de boete kan afzien indien dringende redenen aanwezig zijn. Daarbij wordt uitgegaan van de bepalingen zoals deze luidden ten tijde van belang. In dit geval heeft het Uwv terecht geen aanleiding gezien de boete te verlagen wegens verminderde verwijtbaarheid. Appellante had immers eerder onderzoek kunnen doen waarbij van belang is dat werkneemster na twee maanden na indiensttreding de verplichting had appellante te informeren over mogelijke aanspraken op ziekengeld. Dat appellante niet eerder navraag heeft gedaan valt haar te verwijten. Appellante heeft ter zitting te kennen gegeven dat het om de door haar aangevoerde beroepsgronden gaat en niet zozeer om de hoogte van de boete op zichzelf. De Raad acht een boete van € 455,- in dit geval passend en geboden.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) N. Veenstra

IvR