Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3123

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
16/1470 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Verzwegen inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden. Schattenderwijs vaststellen van inkomsten. Nadeel dat voortvloeit uit onzekerheden komt vanwege schending inlichtingenverplichting voor rekening van betrokkene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 1470 PW, 16/1471 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 februari 2016, 15/4136 en 15/4137 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 12 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J. Scholte.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 6 januari 2011 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van meldingen dat appellante schoonmaakwerkzaamheden verricht bij particulieren zonder dit door te geven, hebben fraudecontroleurs, werkzaam bij de dienst Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de fraudecontroleurs onder meer dossieronderzoek gedaan, waarnemingen bij de woning van appellante verricht, appellante op 14 november 2014 en 28 november 2014 gehoord en een werkgever gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage vooronderzoek van 7 maart 2014 en een rapport fraude controle van 17 december 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

6 februari 2015 de bijstand van appellante over de periode van 6 januari 2011 tot en met

30 november 2014 (periode in geding) te herzien en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 11.246,84 bruto van appellante terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 6 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante in de periode in geding inkomsten heeft ontvangen uit schoonmaakwerk. Appellante heeft van deze werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten geen melding gedaan bij het college. Omdat appellante geen boekhouding van haar werkzaamheden heeft bijgehouden, heeft het college de bijstand herzien door het aantal gewerkte uren en bijbehorend inkomen schattenderwijs vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover, zoals ter zitting is vastgesteld, het de intrekking en de terugvordering betreft. Appellante heeft daartoe aangevoerd dat het college bij de herziening van de bijstand ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zij in bepaalde periodes niet heeft kunnen werken, onder meer als gevolg van ziekte en vakantie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat appellante in de periode in geding de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college geen melding te maken van haar werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten.

4.2.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.3.

Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is het bijstandverlenend orgaan gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene voortvloeiende uit de resterende onzekerheden mag daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening worden gelaten. Vergelijk de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.

4.4.

Appellante heeft van haar werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten geen verifieerbare gegevens overgelegd. Zij heeft zelf ook verklaard dat zij geen administratie heeft bijgehouden van haar werkzaamheden. Door het schenden van de inlichtingenverplichting en het niet bijhouden van een administratie heeft appellante het risico genomen dat het recht op bijstand achteraf niet precies kan worden vastgesteld en dat dit schattenderwijs moet gebeuren. Het college heeft dit gedaan door bij de schatting van de omvang van de werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten de door appellante op 14 en 28 november 2014 afgelegde verklaringen tot uitgangspunt te nemen. Appellante heeft verklaard dat zij op vijf verschillende adressen eens in de twee weken tweeëneenhalf uur schoonmaakte en daarmee € 10,- per uur verdiende. Op twee adressen verrichtte zij al sinds de aanvang van de bijstand werkzaamheden, op twee andere adressen sinds november 2012 en op het vijfde adres sinds november 2014. Voorts heeft het college de verklaring van één van de werkgevers van appellante bij de besluitvorming betrokken. De desbetreffende werkgeefster verklaarde op 4 december 2014 dat appellante eens in de twee weken tweeëneenhalf uur bij haar schoonmaakte, soms wat vaker, soms wat minder vaak, en daarmee € 10,- per uur verdiende.

4.5.

Met de schatting die het college op grond van deze door appellante zelf en door een werkgeefster verstrekte informatie heeft gemaakt, is appellante niet tekort gedaan. Anders dan appellante stelt, bestaat geen ruimte meer voor het nader preciseren van de verrichte werkzaamheden en ontvangen inkomsten aan de hand van ziekte- en vakantiedagen. Het resultaat van het schattenderwijs vaststellen van de door appellante ontvangen inkomsten zal, mede gelet op de hiervoor in 4.4 weergegeven verklaring van de werkgeefster dat appellante soms vaker en soms wat minder vaak dan eens in de twee weken bij haar werkte, in de ene periode in het voordeel van appellante uitvallen en in de andere periode in het nadeel. Hierbij geldt, zoals onder 4.3 al tot uitdrukking is gebracht, dat het eventuele nadeel dat voor appellante voortvloeit uit de resterende onzekerheden wegens schending van de inlichtingenverplichting voor haar rekening mag worden gelaten.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R. Schut en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2017.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD