Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
16/785 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum AIO-aanvulling. Terugwerkende kracht, bijzondere omstandigheden. Uitgangspunt van de Raad in zaak partner van betrokkene vormt niet een bijzondere omstandigheid om met ingang van een eerdere datum AIO-aanvulling te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 785 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 december 2015, 14/6580 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 12 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam H] (H) hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend. H heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2016. Namens appellant is verschenen H. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Herder.

De enkelvoudige kamer heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

De Raad heeft de Svb bij brief van 30 december 2016 verzocht zich te beraden over de besluitvorming en met appellant in overleg te gaan. De Svb heeft bij brief van 2 februari 2017 laten weten H te hebben benaderd en heeft bij brief van 9 februari 2017 de reactie van

H toegezonden.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak vervolgens verwezen naar een meervoudige kamer van de Raad.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. Namens appellant is opnieuw verschenen H. De Svb heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door

mr. S. Herder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf augustus 2007 een (onvolledig) ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) voor een ongehuwde. Met ingang van 19 december 2007 ontving appellant in aanvulling op zijn AOW-pensioen aanvankelijk bijstand, en vanaf

1 januari 2010 een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) naar de norm voor een alleenstaande van de Svb. H ontving sinds 1 april 2006 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW voor een ongehuwde.

1.2.

Bij besluit van 6 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 maart 2013, heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellant met ingang 27 november 2012 ingetrokken op de grond dat appellant langer dan de toegestane periode in het buitenland heeft verbleven. Bij uitspraak van 18 december 2013 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 maart 2013 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant geen hoger beroep ingesteld, zodat het besluit van 13 maart 2013 in rechte onaantastbaar is geworden.

1.3.

Bij besluit van 13 maart 2013 heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellant met ingang van 1 maart 2013 herzien naar - de helft van - een ouderdomspensioen voor gehuwden op de grond dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met H. Bij besluit van

- eveneens - 13 maart 2013 heeft de Svb met ingang van 1 maart 2013 op dezelfde wijze en op dezelfde grond het ouderdomspensioen van H herzien. Appellant heeft tegen het ten aanzien van hem genomen besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. H heeft tegen het ten aanzien van haar genomen besluit wel bezwaar gemaakt. De Svb heeft dit bezwaar bij besluit van 27 mei 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het door H tegen het besluit van 27 mei 2013 ingestelde beroep bij uitspraak van 11 maart 2014 ongegrond verklaard.

1.4.

Op 26 maart 2013 heeft appellant een AIO-aanvulling aangevraagd. Bij besluit van

27 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 augustus 2013, heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd, onder verwijzing naar het in 1.3 vermelde, ten aanzien van appellant genomen besluit van 13 maart 2013, dat appellant en H de AIO-aanvulling niet gezamenlijk hebben aangevraagd. Appellant heeft tegen het besluit van 20 augustus 2013 geen beroep ingesteld, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden.

1.5.

Op 4 oktober 2013 hebben appellant en H gezamenlijk een AIO-aanvulling aangevraagd. Bij besluit van 14 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2014, heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat het gezamenlijk inkomen van appellant en H hoger is dan de voor hen geldende norm. Bij uitspraak van 26 augustus 2014 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 januari 2014 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld, zodat het besluit van 13 januari 2014 in rechte onaantastbaar is geworden.

1.6.

Bij besluit van 16 mei 2014 heeft de Svb het ouderdomspensioen van appellant met ingang van 1 februari 2014 herzien naar een ouderdomspensioen voor een ongehuwde op de grond dat appellant per die datum onder de zogeheten ‘tweewoningenregel’ valt. Bij brief van 22 mei 2014, door de Svb ontvangen op 26 mei 2014, heeft H namens appellant bezwaar gemaakt tegen de bij het besluit van 16 mei 2014 gevoegde berekening van het

AOW-pensioen, omdat hierbij de eerder aangevraagde AIO-aanvulling niet is meegenomen. De Svb heeft dit bezwaar bij besluit van 4 juni 2014 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant bezwaar maakt tegen het niet toekennen van een AIO-aanvulling, terwijl daarover in het besluit van 16 mei 2014 geen beslissing is genomen.

1.7.

Op 7 juni 2014 heeft appellant een aanvraag voor een AIO-aanvulling naar de norm voor een alleenstaande ingediend. Hij heeft op het daartoe strekkende formulier te kennen gegeven dat hij eerder dan die datum in aanmerking wenst te worden gebracht voor een

AIO-aanvulling.

1.8.

Bij besluit van 18 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 augustus 2014, heeft de Svb de aanvraag afgewezen. De Svb heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat de ‘tweewoningenregel’ niet voor de AIO-aanvulling geldt, dat appellant daarvoor als gehuwd blijft aangemerkt en dat het gezamenlijk inkomen van appellant en H hoger is dan de voor hen geldende norm.

2.1.

Tijdens de beroepsprocedure tegen het besluit van 1 augustus 2014 heeft de Raad bij uitspraak van 30 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2119) beslist op het door H ingestelde hoger beroep tegen de in 1.3 genoemde uitspraak van 11 maart 2014. Hierbij heeft de Raad de uitspraak van 11 maart 2014 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 27 mei 2013 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het ten aanzien van H genomen besluit van 13 maart 2013 herroepen en bepaald dat appellant over de periode vanaf 1 maart 2013 ouderdomspensioen voor een ongehuwde toekomt. De Raad heeft hiertoe overwogen, kort weergegeven en onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:556), dat de Svb een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van het gezamenlijk hoofdverblijf en dat de Svb niet aannemelijk heeft gemaakt dat H en appellant ten tijde van belang gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van H of in de woning van appellant.

2.2.

De Svb heeft in het in de uitspraak van de Raad van 30 juni 2015 genoemde arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015 aanleiding gezien om bij besluit van 31 juli 2015 (bestreden besluit) het besluit van 1 augustus 2014 in te trekken, het bezwaar tegen het besluit van 18 juni 2014 gegrond te verklaren en appellant met ingang van 26 mei 2014 een

AIO-aanvulling te verlenen naar de norm voor een alleenstaande. De Svb merkte daarbij 26 mei 2014 aan als de datum waarop appellant zich heeft gemeld om een AIO-aanvulling aan te vragen.

2.3.

In reactie hierop heeft H bij brief van 10 augustus 2015 laten weten dat appellant, gelet op de uitspraak van de Raad van 30 juni 2015, recht heeft op AIO-aanvulling per 26 januari 2013. Door die uitspraak zijn immers alle ten aanzien van appellant genomen besluiten nietig en is ook de uitspraak van de rechtbank van 26 augustus 2014 nietig, aldus appellant.

2.4.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, kort weergegeven, aangevoerd dat hem, gelet op de uitspraak van de Raad van 30 juni 2015, per 26 januari 2013 een AIO-aanvulling moet worden verleend in plaats van per 26 mei 2014.

3.2.

Bij brief van 20 januari 2017 heeft de Svb appellant bericht bereid te zijn een

AIO-aanvulling te verlenen met ingang van 1 februari 2014. Bij brief van 24 januari 2013 heeft H laten weten dat appellant daarmee niet akkoord gaat, omdat hij per 1 februari 2013 recht heeft op een AIO-aanvulling.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De vertegenwoordiger van de Svb heeft ter zitting, desgevraagd, verklaard dat de Svb zijn in het bestreden besluit ingenomen standpunt over de ingangsdatum van de verleende

AIO-aanvulling heeft verlaten. Thans stelt de Svb zich op het standpunt dat appellant vanaf

1 februari 2014 een AIO-aanvulling moet worden verleend. Reeds hierom slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.

4.2.

Partijen houdt vervolgens nog verdeeld de vraag of de Svb appellant met ingang van een eerdere datum dan 1 februari 2014 een AIO-aanvulling had moeten verlenen.

4.3.

Deze vraag wordt ontkennend beantwoord.

4.3.1.

Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.3.2.

In dit geval heeft de Svb terecht 26 mei 2014 aangemerkt als meldingsdatum, aangezien H op die datum kenbaar heeft gemaakt dat appellant AIO-aanvulling wilde ontvangen. De Svb heeft in de bijzondere omstandigheden van dit geval aanleiding gezien de AIO-aanvulling alsnog per 1 februari 2014 te verlenen. Daarbij heeft de Svb van belang geacht dat appellant in het verleden herhaalde malen een AIO-aanvulling heeft gevraagd en dat in mei 2014 alsnog met terugwerkende kracht aan appellant een AOW-pensioen voor een ongehuwde is toegekend per 1 februari 2014.

4.3.3.

De uitspraak van de Raad van 30 juni 2015 in de zaak van H over haar ouderdomspensioen vormt niet een bijzondere omstandigheid om met ingang van een eerdere datum dan 1 februari 2014 een AIO-aanvulling te verlenen. Anders dan appellant veronderstelt, brengt die uitspraak niet mee dat alle ten aanzien van appellant genomen besluiten onrechtmatig zijn. Zoals al in 1.2 tot en met 1.5 is vermeld - en ook ter zitting is besproken -, zijn die besluiten in rechte onaantastbaar geworden. Dat appellant, anders dan H, om hem moverende redenen niet tot in hoogste instantie heeft doorgeprocedeerd, maakt dat niet anders. De Svb heeft appellant dan ook niet te kort gedaan door hangende het hoger beroep het standpunt in te nemen dat appellant per 1 februari 2014 AIO-aanvulling toekomt.

4.4.

Gelet op 4.1 zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover het betreft de ingangsdatum van de verlening van een AIO-aanvulling. De Raad zal voorts zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat aan appellant met ingang van 1 februari 2014 een

AIO-aanvulling wordt verleend.

5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 31 juli 2015 voor zover het betreft

de ingangsdatum van de verlening van een AIO-aanvulling;

- bepaalt dat aan appellant met ingang van 1 februari 2014 een AIO-aanvulling wordt

verleend en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde

gedeelte van het besluit van 31 juli 2015;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en E.C.R. Schut en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2017.

(getekend) W.F. Claessens

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD