Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
16/1811 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Niet wonen op het opgegeven uitkeringsadres. Voldoende feitelijke grondslag. Geen aanleiding om af te wijken van algemeen uitgangspunt dat uitgegaan kan worden van de juistheid van een tegenover de sociaal rechercheur afgelegde verklaring. Schulden en nadelige gevolgen voor schuldsaneringstraject vormen geen dringende reden om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/1811 PW

Datum uitspraak: 12 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

5 februari 2016, 15/6330 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bruggeman. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.A. Linders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande op het adres [adres 1] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van een bijstandsconsulent van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (sociale dienst) dat de meerderjarige zoon van appellante weer op het uitkeringsadres woonachtig is, heeft een toezichthouder van de sociale dienst een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In dat kader hebben de toezichthouder en een bijstandsconsulent op 17 oktober 2014 en 3 november 2014 getracht een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op het uitkeringsadres. Appellante was daar op beide momenten niet aanwezig. De zoon van appellante was op 3 november 2014 wel aanwezig en heeft verklaard dat appellante sinds enkele dagen bij een kennis in [plaatsnaam] verbleef.

1.3.

Op 1 december 2014 heeft een bijstandsconsulent een gesprek met appellante gevoerd over haar woonsituatie. Appellante heeft daarin verklaard dat zij op het uitkeringsadres woont en dat zij weleens bij haar ex-partner [naam I] (I) komt die op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] (adres van I) woont.

1.4.

Naar aanleiding van het gesprek op 1 december 2014 hebben twee toezichthouders nader onderzoek verricht. In dat kader hebben de toezichthouders onder meer op 1 en 2 december 2014 waarnemingen verricht. Daarbij is op 1 december 2014 waargenomen dat appellante met gebruikmaking van een sleutel de woning op het adres van I binnenging. Verder hebben de toezichthouders enkele buurtbewoners gehoord in de directe omgeving van het uitkeringsadres en het adres van I. Op 28 januari 2015, omstreeks 09.00 uur, hebben een toezichthouder en een bijstandsconsulent een rechtmatigheidsgesprek met appellante gevoerd. Aansluitend, omstreeks 10.30 uur, hebben zij een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. Vervolgens hebben zij omstreeks 11.30 uur een huisbezoek afgelegd op het adres van I.

1.5.

De bevindingen van het onder 1.3 en 1.4 beschreven onderzoek zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 2 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juli 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellante met ingang van

1 november 2014 in te trekken en de over de periode van 1 november 2014 tot en met

31 december 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.313,81 van appellante terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat appellante vanaf 1 november 2014 niet langer haar hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Door hiervan geen mededeling te doen aan het dagelijks bestuur heeft appellante de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 november 2014, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 2 februari 2015, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

De vraag waar iemand woont dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en verblijfsituatie te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor intrekking van de bijstand indien als gevolg van schending van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de belanghebbende recht heeft op bijstand.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur ten onrechte heeft aangenomen dat zij haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.4.1.

Appellante heeft op 28 januari 2015 over haar woon- en leefsituatie verklaard dat zij samen met haar zoon en zijn verloofde op het uitkeringsadres woont, dat I ziek is en dat zij bijna elke dag bij hem is om hem te helpen met de dagelijkse gang van zaken (onder meer de was, de boodschappen en de schoonmaak van het huis), dat zij af en toe op haar eigen adres is, dat zij het echter helemaal niet met haar schoondochter kan vinden en het dus handig is dat zij een toevluchtsoord heeft, dat zij de laatste tijd meer in [plaatsnaam] dan in [woonplaats] is en dat dit nu de laatste twee maanden het geval is. Na te zijn geconfronteerd met verklaringen van omwonenden van het uitkeringsadres en van het adres van I en met het feit dat op bankafschriften van appellante veel pinopnames in [plaatsnaam] te zien zijn, heeft appellante verklaard dat zij vanaf november 2014 het grootste deel van de tijd bij I in [plaatsnaam] was en dat zij een week eerder voor het laatst op het uitkeringsadres was.

4.5.

Appellante heeft over haar in 4.4.1 weergegeven verklaring aangevoerd dat het dagelijks bestuur bij de besluitvorming daarvan niet heeft mogen uitgaan, omdat de weergave van deze verklaring in het daarvan opgemaakte verslag onjuist is. Zij was in de te beoordelen periode weliswaar vaak bij I, maar zij bracht niet het grootste deel van haar tijd in [plaatsnaam] door. De nachten verbleef zij op het uitkeringsadres. I verbleef bovendien in de te beoordelen periode voornamelijk in het ziekenhuis. Verder heeft appellante betoogd dat haar dochter in de maand november 2014 nog in de woning op het adres van I verbleef en voor hem heeft gezorgd.

4.5.1.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De verklaring van appellante van 28 januari 2015 is ten overstaan van een toezichthouder en een bijstandsconsulent afgelegd. De verklaring is gedetailleerd, duidelijk en consistent. Appellante heeft na voorlezing in haar verklaring volhard en deze zonder voorbehoud ondertekend. Appellante heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat wat zij heeft verklaard onjuist is opgetekend. De in beroep overgelegde verklaringen van familie en kennissen die erop neerkomen dat appellante intensief voor I heeft gezorgd, kunnen niet als zodanige gegevens worden beschouwd. De door appellante in hoger beroep ingezonden gegevens bieden voorts geen steun voor haar stelling dat I in de te beoordelen periode voornamelijk in het ziekenhuis verbleef en dat haar dochter in de maand november 2014 voor I heeft gezorgd. De stelling dat appellante de meeste nachten op het uitkeringsadres heeft doorgebracht, strookt niet met wat appellante op 28 januari 2015 daarover heeft verklaard en is daarom zonder onderbouwing niet aannemelijk. Geen aanleiding bestaat dan ook om in dit geval af te wijken van het algemene uitgangspunt dat kan worden uitgegaan van de juistheid van een aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring, ook indien de betrokkene later van die afgelegde verklaring terugkomt.

4.6.

Gelet op 4.4 tot en met 4.5.1 biedt de verklaring van appellante een toereikende feitelijke grondslag voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellante in de te beoordelen periode haar hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Dat appellante niet de intentie heeft gehad in de te beoordelen periode geen hoofdverblijf op het uitkeringsadres te hebben en zij slechts in [plaatsnaam] was om I te verzorgen, leidt niet tot een ander oordeel.

Terugvordering

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het dagelijks bestuur van de terugvordering had moeten afzien. Appellante heeft schulden en zit in de schuldsanering. Door de terugvordering zal haar financiële situatie verslechteren. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.7.1.

Op grond van artikel 58, achtste lid, van de PW kan het bijstandverlenend orgaan op grond van dringende redenen besluiten geheel of ten dele van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1457) kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen aannemelijk moeten maken.

4.7.2.

De omstandigheid dat appellante schulden heeft, vormt geen dringende reden om af te zien van terugvordering. De schulden van appellante bestonden al ten tijde van de bijstandsverlening en zijn niet ontstaan als gevolg van het bestreden besluit. Dat appellante naar eigen zeggen door de terugvordering mogelijk nadelige gevolgen zal ondervinden in het schuldsaneringstraject, levert evenmin een dringende reden op. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich immers in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft appellante de bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet zoals neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Slotoverwegingen

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD