Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3111

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
16/1109 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Ten onrechte niet onderzocht of, gelet op de middelen van betrokkene, recht op aanvullende bijstand bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 1109 WWB

Datum uitspraak: 12 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

15 januari 2016, 15/3195 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. R.W. Bekker.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 23 oktober 2014 heeft het college het recht op bijstand van
[naam V] (V) over de periode 4 juli 2013 tot en met 30 januari 2014 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand van hem teruggevorderd tot een bedrag van € 7.467,53 op de grond dat V en appellante in die periode een gezamenlijke huishouding voerden en V ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ontving. Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft het college het eerder genoemde bedrag mede van appellante teruggevorderd.

1.2.

Bij besluit van 10 juni 2015 heeft het college, beslissend op het bezwaar van V tegen het besluit van 23 oktober 2014, de einddatum van de in 1.1 genoemde terugvorderingsperiode aangepast naar 2 januari 2014 en om die reden het bedrag van de terugvordering verlaagd naar € 6.669,23. Met de uitspraak van 22 april 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:2401, heeft de rechtbank het beroep van V tegen het besluit van 23 oktober 2014 ongegrond verklaard. Tegen die uitspraak heeft V geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Bij besluit van 9 juni 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2014 gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de terugvordering betreft en deze - overeenkomstig de aanpassing van de terugvordering van V - vastgesteld op € 6.669,23.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De periode in geding loopt van 4 juli 2013 tot en met 2 januari 2014, de periode waarover de kosten van bijstand mede van appellante zijn teruggevorderd.

4.2.

Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover hier van belang, kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Artikel 59, vierde lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat de in het tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

4.3.

Niet in geschil is dat V en appellante in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden. Het college heeft appellante dan ook terecht aangemerkt als de persoon met wier middelen bij de verlening van bijstand aan V rekening had moeten worden gehouden. Evenmin is in geschil dat V in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft nagelaten het college tijdig te informeren over de gezamenlijke huishouding, waardoor het college hem ten onrechte als alleenstaande heeft aangemerkt. Ten aanzien van appellante is dus voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat het college bevoegd was de gemaakte kosten van de aan V verleende bijstand mede van haar terug te vorderen.

4.4.

Appellante heeft aangevoerd dat zij niet wist dat V bijstand ontving en dat de medeterugvordering om die reden onrechtvaardig is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 22 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5557) vormt het bestaan van schuld of opzet geen voorwaarde voor medeterugvordering ingevolge artikel 59, tweede lid, van de WWB. In de stelling van appellante ligt evenmin een dringende reden of een zwaarwegende reden besloten op grond waarvan het college ingevolge artikel 3 onderscheidenlijk artikel 4 van de Beleidsregel Terugvordering en Invordering 2013 van de gemeente Veenendaal van terugvordering, al dan niet gedeeltelijk, had moeten afzien.

4.5.

Appellante heeft verder aangevoerd dat zij haar loonstroken heeft overgelegd, zodat het college, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening had moeten houden met een eventueel aanvullend recht op bijstand naar de norm voor gehuwden. Deze beroepsgrond slaagt.

4.5.1.

Als de betrokkene in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet bij het bijstandverlenend orgaan heeft gemeld dat hij een gezamenlijke huishouding voert en hem als gevolg daarvan ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande is verleend, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8094) het bijstandverlenend orgaan in beginsel bevoegd, en sinds 1 januari 2013 gehouden, de over de betrokken periode gemaakte kosten van bijstand volledig van hem terug te vorderen. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat, ook als hij zijn verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, volledige, althans aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden over die periode zou zijn verstrekt. Deze rechtspraak is eveneens van belang in een geval als hier aan de orde waarin sprake is van medeterugvordering.

4.5.2.

In bezwaar heeft appellante de loonstroken overgelegd die zien op de periode in geding. Voor zover het college zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat die gegevens onvoldoende zijn om te beoordelen of in de periode in geding aanspraak kon worden gemaakt op aanvullende bijstand naar de norm voor gehuwden, lag het ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op zijn weg om in het kader van de heroverweging van het primaire besluit naar aanleiding van het bezwaar bij appellante de volgens hem nog ontbrekende gegevens op te vragen. Dit heeft het college nagelaten. Het college heeft ten onrechte niet onderzocht in hoeverre V en appellante, gelet op onder meer de middelen van appellante, recht op (aanvullende) bijstand naar de norm voor gehuwden zouden hebben gehad als V zijn inlichtingenverplichting wel was nagekomen.

4.6.

Uit 4.5.2 volgt dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Het komt daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.7.

Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. Het is niet mogelijk om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Daartoe is, mede gelet op het verhandelde ter zitting, onvoldoende informatie voorhanden. De Raad ziet geen aanleiding tot toepassing van de zogenoemde bestuurlijke lus en zal het college opdracht geven om een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2014 te nemen met inachtneming van wat

onder 4.5.1 en 4.5.2 is overwogen.

4.8.

Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 9 juni 2015;

- draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van

27 oktober 2014 met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de

Raad;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) J.M.M. van Dalen

HD