Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3101

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
16/2801 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten, wordt onderschreven. In hoger beroep geen medische informatie ingebracht die de stelling ondersteunt dat appellant nog steeds ongeschikt was om arbeid te verrichten. Ook wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat appellant in medisch opzicht geschikt is de voorgehouden functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/2801 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

12 april 2016, 15/8538 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 1 september 2017

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2017. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft via een uitzendbureau als orderpicker bij een bedrijf gewerkt. Hij heeft zich op 16 juni 2014 vanuit een situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld met lichamelijke klachten, waarna appellant van het Uwv ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) heeft ontvangen.

1.2.

In het kader van een zogenoemde Eerstejaars ZW-beoordeling heeft een verzekeringsarts een van het Uwv medisch onderzoek verricht, neergelegd in een rapport van 19 juni 2015. De arts heeft dossierstudie verricht omdat appellant niet is verschenen op het spreekuur. Hij heeft vastgesteld dat appellant fysieke beperkingen heeft ten gevolge van onder meer een aan beide voeten aangeboren afwijking. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant ongeschikt is voor de maatgevende arbeid van orderpicker. Appellant wordt wel in staat geacht arbeid te verrichten rekening houdend met beperkingen voor de belasting van de onderste extremiteiten. Vervolgens heeft de verzekeringsarts de voor appellant geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 19 juni 2015. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft appellant geschikt bevonden voor passende functies en berekend dat appellant meer dan 65% van het maatmanloon kan verdienen. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 30 juni 2015 vastgesteld dat appellant per 31 juli 2015 (datum in geding) geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.3.

Naar aanleiding van het tegen het besluit van 30 juni 2015 gerichte bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkens haar rapport van 4 december 2015 onder meer appellant gesproken op het spreekuur, dossierstudie verricht en desgevraagd informatie verkregen van de orthopedisch chirurg. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen zoals die zijn vastgesteld door de verzekeringsarts onderschreven. Daarbij is vastgesteld dat volgens appellant het voornaamste probleem gelegen is in de aangeboren voetafwijkingen. Met deze afwijkingen heeft appellant echter kunnen werken. De operatie aan de rechtervoet heeft pas ruim na de datum in geding, op 7 september 2015, plaatsgevonden. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nader onderzoek verricht, neergelegd in een rapport van 8 december 2015. Hij heeft de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies onverminderd geschikt geacht. Bij besluit van 15 december 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de medische beoordeling onjuist is geweest. De verzekeringsarts (bezwaar en beroep) heeft de voetafwijkingen betrokken bij het opstellen van de FML. Appellant heeft, naar de rechtbank heeft overwogen, met de in beroep overgelegde medische informatie onvoldoende onderbouwd dat er op de datum in geding meer beperkingen aangenomen hadden moeten worden. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat appellant, uitgaande van de voor hem vastgestelde belastbaarheid, in staat moet worden geacht om de geselecteerde functies te vervullen. De arbeidsdeskundigen hebben dit inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn uitkering ten onrechte is beƫindigd, omdat hij nog volledig arbeidsongeschikt was op de datum in geding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920). Op grond van artikel 19aa, tweede lid, van de ZW bestaat recht op ziekengeld tot een maand na de dag waarop de verzekerde in staat is om meer dan 65% van het maatmaninkomen per uur te verdienen.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is om de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten, wordt onderschreven. In hoger beroep heeft appellant geen medische informatie ingebracht die zijn stelling, dat hij nog steeds ongeschikt was om arbeid te verrichten, ondersteunt. De verzekeringsartsen hebben bij de vaststelling van de belastbaarheid rekening gehouden met de aangeboren voetafwijkingen. Daarbij is informatie van de behandelend orthopedisch chirurg betrokken. In die informatie, maar ook in de in beroep ingebrachte medische informatie, zijn geen aanknopingspunten te vinden voor twijfel aan de juistheid van de inschatting van de verzekeringsartsen van de medische belastbaarheid van appellant.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank dat appellant, gelet op de voor hem vastgestelde belastbaarheid, in medisch opzicht geschikt moet worden geacht voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies wordt eveneens onderschreven. De stelling van appellant dat hij medisch niet in staat was om de functies te vervullen is niet onderbouwd en vormt daarom geen aanleiding om het standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, zoals neergelegd in het rapport van 8 december 2015, niet te volgen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant op de datum in geding geen recht heeft op een uitkering ingevolge de ZW. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2017.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB