Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
16/2495 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgelegde belastbaarheid van appellant. Geen aanleiding het Uwv niet te volgen in het standpunt dat appellant ondanks de slaapaanvallen in staat kan worden geacht de functie productiemedewerker tubes te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/2495 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
10 maart 2016, 15/7000 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.Y. Ramdhan, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als buschauffeur voor gemiddeld 40 uur per week. Zijn dienstverband is op 30 november 2011 geëindigd. Appellant heeft zich per 8 maart 2012 ziek gemeld wegens slaapaanvallen, duizeligheid, vermoeidheid, concentratieproblemen en spier- en gewrichtspijnen over zijn gehele lichaam. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft bij besluit van 27 mei 2014 vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van
6 maart 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt werd beschouwd. Appellant werd met zijn beperkingen in staat geacht de maatgevende arbeid, alsmede de functies van magazijn- en expeditiemedewerker, portier/toezichthouder en productiemedewerker machinaal inpakken te vervullen. Het besluit van 27 mei 2014 is, na een procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep in rechte komen vast te staan.

1.2.

Appellant heeft zich in de tussentijd op 6 juni 2014 ziek gemeld met dezelfde, sinds de ziekmelding van 8 maart 2012 onverminderd aanwezige klachten. Op dat moment ontving hij een WW-uitkering. In verband met deze ziekmelding heeft appellant op 3 maart 2015 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 6 juni 2014 primair geschikt geacht voor zijn eigen werk als buschauffeur en subsidiair onverminderd geschikt geacht voor het vervullen van tenminste één van de tijdens de eerdere WIA-procedure geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 13 maart 2015 vastgesteld dat appellant per 6 juni 2014 geen recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 23 september 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 september 2015 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 17 september 2015 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in zijn rapport op het standpunt gesteld dat appellant, gezien de omstandigheden dat de diagnose narcolepsie niet geheel is uitgesloten, appellant ook tijdens zijn werkzaamheden in slaap viel, de lange duur van de klachten en de veiligheid voor appellant en hemzelf, niet belastbaar is voor chauffeursfuncties en functies op gevaarlijke locaties. Hypersomnie op zich is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen ziekte, maar kan wel als een gebrek worden gezien dat leidt tot de beperkingen die zijn toegevoegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 september 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant niet langer in staat geacht zijn eigen werk als buschauffeur te verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 17 september 2015, uitgaande van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid, geconcludeerd dat diverse functies niet langer geschikt zijn voor appellant. De functies portier (SBC-code 342021) en productiemedewerker tubes – een van de functies binnen SBC-code 111175 – zijn volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onverminderd geschikt voor appellant, omdat het geen chauffeursfuncties zijn, er geen sprake is van werk op hoogte of op gevaarlijke locaties met kans op letsel bij tijdelijk verminderde aandacht.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig geacht. De rechtbank is niet gebleken dat de conclusie dat appellant geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies onjuist is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het Uwv appellant terecht per 6 juni 2014 geschikt heeft geacht voor zijn arbeid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep ingenomen standpunt herhaald. Hij heeft staande gehouden dat hij wegens zijn lichamelijke klachten niet in staat is de in het kader van de WIA geselecteerde functies te verrichten. De rechtbank heeft ten onrechte, ondanks het aannemen van het vermoeden dat appellant lijdt aan narcolepsie, geen aanleiding gezien aan te nemen dat de uitvoering van de functies gevaar oplevert voor appellant of zijn omgeving. Met het aannemen van narcolepsie is dit gevaar immers gegeven. Door het Uwv is onvoldoende aangetoond dat de functies ondanks de narcolepsie wel zonder gevaar zijn uit te voeren.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgelegde belastbaarheid van appellant. De rechtbank heeft op overtuigende wijze gemotiveerd waarom die aanleiding niet is gezien. De overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd, worden geheel onderschreven. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat er een zeker vermoeden bestaat op narcolepsie en hypersomnie geen ziekte is, maar wel tot beperkingen leidt, niet bestreden. Appellant heeft niet aangetoond dat hij meer beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep vanuit dit standpunt heeft vastgesteld, zodat er geen aanknopingspunten bestaan hem hierin te volgen.

4.3.

Appellant heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij, vanwege de beperkingen die voortvloeien uit de vermoedelijke narcolepsie en de vastgestelde hypersomnie, bestaande uit het op willekeurige momenten getroffen worden door slaapaanvallen die leiden tot gevaarlijke situaties, niet in staat kan worden geacht de maatgevende arbeid te verrichten. Naar aanleiding hiervan wordt voorstelbaar geacht dat appellant hierdoor in de functie van portier niet het toezicht kan houden dat van hem bij de uitoefening van die functie wordt verlangd. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting toegelicht dat de resterende functie van productiemedewerker tubes, ondanks de door appellant genoemde willekeurige slaapaanvallen, wel geschikt kan worden geacht. Hiertoe heeft hij er op gewezen dat voor appellant in de FML een beperking is vastgesteld op item 1.9.9. (aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico) en de functie desondanks door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor appellant geschikt is geacht. In die functie is namelijk geen sprake van werk op gevaarlijke locaties met kans op letsel bij tijdelijk verminderde aandacht of van werk op hoogte. Nu de gemachtigde van appellant ter zitting desgevraagd niet heeft kunnen aantonen voor welke werkzaamheden appellant door de slaapaanvallen een verhoogd persoonlijk risico loopt en dit risico ook niet volgt uit de omschrijving van de werkzaamheden in de functie, wordt geen aanleiding gezien het Uwv niet te volgen in het standpunt dat appellant ondanks de slaapaanvallen in staat kan worden geacht de functie productiemedewerker tubes te verrichten. Gelet hierop kan het oordeel van de rechtbank daarom worden onderschreven dat appellant in staat kan worden geacht de maatgevende arbeid, bestaande uit de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functie van productiemedewerker tubes te verrichten.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.G.A.H. Toma

AB