Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3090

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
16/6792 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Afwijzen aanvraag. Onvoldoende duidelijkheid gegeven over woon-, leef- en inkomenssituatie in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Het recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/6792 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 september 2016, 16/3940 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 29 augustus 2017

Zitting heeft: W.H. Bel

Griffier: A.M. Pasmans

Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I Yaman.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2017. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

1.1.

Appellant heeft zich op 7 december 2015 gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande. Uit Suwinet blijkt in het geheel niet van inkomsten van appellant over de voorgaande periode. Bij schrijven van

9 december 2015 heeft het college appellant daarom verzocht om voor 16 december 2015 (onder meer) een schriftelijke verklaring met bijbehorende bewijsstukken te overleggen waarin appellant uitlegt waarvan hij de periode voorafgaand aan de aanvraag heeft geleefd. Bij brieven van onderscheidenlijk 18 en 30 december 2015 en 14 januari 2016 heeft appellant uitstel gekregen voor het inleveren van de stukken. Appellant heeft daarop onder meer bankafschriften over de periode 27 februari 2015 tot en met 17 november 2015 en een huurovereenkomst overgelegd.

1.2.

Bij besluit van 17 februari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2016 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat wegens schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, nu onduidelijk is waarvan appellant in de periode voorafgaand aan de aanvraag heeft geleefd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de door hem verstrekte informatie toereikend was om het recht op bijstand vast te stellen. Appellant heeft geleefd van de hem toegekende schadevergoeding van € 21.790,-.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 7 december 2015 tot en met 17 februari 2016.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandsbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, maar zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de aanvraag.

4.3.

Bij de onder 1.1 genoemde brieven heeft het college appellant onder meer gevraagd om met bewijsstukken te onderbouwen hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Uit de door appellant verstrekte gegevens blijkt dit niet afdoende.

4.4.

Het feit dat appellant eind 2013 een bedrag van € 21.790,- op zijn bankrekening eindigend op 785 heeft ontvangen, verklaart onvoldoende hoe hij in 2015 in zijn levensonderhoud voorzag, nu het saldo op diezelfde rekening op 17 maart 2015 € 4,12 negatief bedroeg. Van 27 februari 2015 tot en met 20 april 2015 zijn geen transacties zichtbaar op de rekening, behoudens twee automatische afschrijvingen. Over de periode van maart tot en met november 2015 zijn in het geheel geen huurbetalingen te zien, terwijl eerst vanaf oktober 2015 van een huurachterstand is gebleken. Ook betalingen van gas, water en licht zijn op de rekeningafschriften niet zichtbaar. Daarnaast zijn niet of nauwelijks kasopnames of pinbetalingen bij supermarkten zichtbaar. De overgelegde verklaringen van

[naam A] en [naam B] bieden evenmin voldoende helderheid hoe appellant in zijn levensonderhoud voorzag. De verklaringen zijn ongedateerd, vaag en worden niet ondersteund met concrete en verifieerbare gegevens.

4.5.

Hieruit volgt dat appellant de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag terecht en op goede gronden afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier De voorzitter

(getekend) A.M. Pasmans (getekend) W.H. Bel

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

HD