Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
15/2864 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Medeterugvordering. Gezamenlijke huishouding in gemeente A, niet wonen in gemeente B. Conclusie dat sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf kan worden gebaseerd op waarnemingen en getuigenverklaringen. De getuigenverklaringen zijn voldoende specifiek en gedetailleerd. Aanvullend recht beoordelen bij terugvordering. Per saldo niet meer terugvorderen dan ten onrechte is genoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 2864 WWB, 17/4174 WWB, 15/2865 WWB, 17/4175 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

17 maart 2015, 13/2588 en 13/2589 (aangevallen uitspraak 1) en 13/2582 en 13/3430 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1:

[Appellante] (appellante) en [Appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college 1)

Partijen in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college 2)

Datum uitspraak: 29 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S.W.C. Bonnet, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.

Namens appellant heeft mr. Bonnet hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

Colleges 1 en 2 hebben verweerschriften ingediend.

Namens appellanten is een nadere reactie met nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 18 juli 2017. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Bonnet. College 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door T. Kok. College 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. van Golberdinge.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten zijn met elkaar gehuwd geweest en op 17 mei 2002 gescheiden. Zij hebben samen drie kinderen.

1.2.

Appellante ontving vanaf 1 juni 2006 van college 1 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij staat vanaf 23 mei 2006 ingeschreven op het adres [uitkeringsadres van appellante] te [woonplaats] (uitkeringsadres van appellante).

1.3.

Appellant ontving in de periode van 27 oktober 2002 tot en met 27 april 2011 van college 2 bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande. Appellant stond van

30 januari 2004 tot 5 maart 2012 ingeschreven op het adres [uitkeringsadres van appellant] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres van appellant). Vanaf 5 maart 2012 staat appellant ingeschreven op het uitkeringsadres van appellante.

1.4.

Naar aanleiding van een anonieme melding in oktober 2011, dat appellanten nog een relatie hebben en samenwonen op het uitkeringsadres van appellante, heeft college 1 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht en zijn in de periode van 21 oktober 2011 tot en met 24 november 2011 28 waarnemingen bij het uitkeringsadres van appellante gedaan, waarbij twintigmaal de auto van appellant nabij dit adres is aangetroffen. Op 24 november 2011 heeft een huisbezoek op het uitkeringsadres van appellante plaatsgevonden. Daarbij is appellant aangetroffen. Voorts zijn persoonlijke spullen, kleding en de bedrijfsadministratie van appellant aangetroffen. Aansluitend aan het huisbezoek heeft een gesprek met appellante plaatsgevonden. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een “Rapport Beëindiging uitkering” van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Amstelveen van 29 november 2011. Geconcludeerd is dat appellante in ieder geval per 24 november 2011 een gezamenlijke huishouding voert met appellant en dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden door dit niet aan college 1 door te geven.

1.5.

College 1 heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

30 november 2011 de bijstand van appellante met ingang van 24 november 2011 in te trekken. Appellante heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.6.

Vervolgens heeft college 1 de sociale recherche verzocht om nader onderzoek te verrichten naar de periode voorafgaand aan 24 november 2011, omdat het vermoeden bestond dat appellanten al een langere periode een gezamenlijke huishouding hadden gevoerd. In het kader van dit onderzoek heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht, diverse registraties geraadpleegd en appellanten als verdachten verhoord. Voorts zijn in de omgeving van de uitkeringsadressen van appellanten buurtonderzoeken uitgevoerd waarbij buurtbewoners als getuigen zijn gehoord. Ten slotte zijn nog enkele andere getuigen gehoord, onder wie de huishoudelijke hulp van appellante en de chauffeur van het busje waarmee de jongste dochter van appellanten naar school werd gebracht en weer werd opgehaald. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het “Proces-verbaal uitkeringsfraude” van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) van 12 november 2012.

1.7.

Op basis van de bevindingen van het onderzoek heeft college 1 bij besluit van

14 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2013 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellante over de periode van 1 juni 2006 tot en met 23 november 2011 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van

€ 93.432,17 van appellante teruggevorderd. Voorts heeft college 1 bij besluit van

14 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2013 (bestreden besluit 2), de gemaakte kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd zonder dat appellante daarvan melding heeft gemaakt bij college 1.

1.8.

In de onderzoeksresultaten van de DWI heeft college 2 aanleiding gezien om bij besluit van 28 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2013 (bestreden

besluit 3), de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 1 juni 2006 tot en met 27 april 2011 en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van

€ 74.865,74 van hem terug te vorderen op de grond dat appellant niet verbleef op het door hem opgegeven woonadres. Bij besluit van 10 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2013 (bestreden besluit 4), heeft college 2 vastgesteld dat appellant van zijn schuld een bedrag van € 1.355,- per maand moet aflossen.

2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 3 en 4 eveneens ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 juni 2006 tot en met 23 november 2011.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor intrekking, in dit geval het voeren van een gezamenlijke huishouding op het uitkeringsadres van appellante, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren, is ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellanten tijdens de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

4.4.

Appellanten hebben bestreden dat zij in de periode in geding hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Daarbij hebben zij aangevoerd dat de waarnemingen voor het uitkeringsadres van appellante zijn gedaan in de periode oktober en november 2011, waarbij tijdens twintig waarnemingen de auto van appellant is gezien. Dat klopt omdat in de loop van 2011 het contact tussen appellanten is geïntensiveerd. Dit betekent nog niet dat toen al sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. Dat is pas vanaf maart 2012 het geval. Appellant kwam met enige regelmaat langs. Het kan dus zijn dat buren hem dan hebben zien komen of gaan, maar daaruit kan niet worden geconcludeerd dat appellanten samenwoonden. De verklaringen van de buren zijn tegenstrijdig en zij zijn gehoord nadat appellanten in maart 2012 weer zijn gaan samenwonen. De huisarts van appellant heeft bevestigd dat appellant bij hem stond ingeschreven in de periode 2006 tot 2011 en was geregistreerd op het uitkeringsadres van appellant.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de conclusie dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres van appellante kan worden gebaseerd op de waarnemingen en de getuigenverklaringen genoemd in het Rapport Beëindiging uitkering en het Proces-verbaal van de DWI. De getuigenverklaringen bevatten specifieke en gedetailleerde feitelijke gegevens, voortkomend uit eigen wetenschap van getuigen over het dagelijks leven in en om de woning van appellante dan wel van appellant. Zowel in [woonplaats] als [plaatsnaam] is aan de getuigen, voor zover het (ex-)buren betreft, specifiek gevraagd hoe lang zij al in de woning wonen en sinds wanneer zij appellant op het uitkeringsadres van appellante, dan wel op het uitkeringsadres van appellant hebben gezien. De getuigen hebben daarover verklaard zodat de afgelegde verklaringen, hoewel afgelegd op verschillende data in april, mei en juni 2012, aldus betrekking hebben op de periode vanaf juni 2006.

4.6.

Op één na alle getuigen die ten aanzien van het uitkeringsadres van appellant zijn gehoord, hebben, nadat hen een foto van appellant werd getoond, appellant niet herkend. Daarnaast hebben deze getuigen uiteenlopende beschrijvingen gegeven van de lengte, het uiterlijk en de leeftijd van de bewoners van dat adres. De getuige die appellant wel van de foto herkende had hem slechts éénmaal gezien. Dat de verklaringen van de getuigen tegenstrijdig zouden zijn is niet gebleken. Die verklaringen zijn juist eenduidig in de conclusie dat appellant daar niet woonde. Onbetwist is dat uit de verklaring van de huisarts weliswaar blijkt dat appellant bij hem op het uitkeringsadres van appellant stond geregistreerd, maar dat daaruit niet blijkt dat ook huisbezoeken op dat adres zijn afgelegd. De stelling van appellanten dat dit wel gebeurd is omdat appellant ernstig ziek was, hebben zij niet met medische of andere stukken onderbouwd. Appellanten hebben ten aanzien van het uitkeringsadres van appellant nog aangevoerd dat appellant aldaar een controle heeft gehad van de DWI en dat daarbij geen bijzonderheden zijn geconstateerd. Het gaat hier echter om een op 11 november 2005 afgelegd huisbezoek, zodat daaraan geen betekenis kan worden toegekend voor de te beoordelen periode.

4.7.

De buren van het uitkeringsadres van appellante hebben consistent verklaard dat de bewoners van dat adres een gezin vormen, bestaande uit een man, een vrouw en drie kinderen. Van de vijf buren die als getuigen zijn gehoord, waren drie buren in 2006 aldaar woonachtig. De drie buren hebben verklaard dat deze gezinssituatie al zo is vanaf het moment dat het gezin daar is komen wonen. Er is derhalve geen aanwijzing dat sprake is geweest van een langzaam geïntensiveerd contact tussen appellanten in de loop van 2011. Uit de verschillende verklaringen van de omwonenden van het uitkeringsadres van appellante, maar ook van de huishoudelijke hulp, blijkt dat zij niet enkel appellant en/of appellante hebben gezien, maar dat zij hen ook regelmatig hebben gesproken en op de hoogte waren van de feitelijke situatie op het uitkeringsadres van appellante.

4.8.

Uit 4.5 tot en met 4.7 volgt dat college 1 zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten gedurende de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden op het uitkeringsadres van appellante. Appellante heeft hiervan geen melding gemaakt aan college 1, waardoor zij de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. In dit verband komt geen betekenis toe aan de stelling van appellanten dat appellante naar de gemeente is geweest om hiervan melding te maken, omdat, wat daarvan verder ook zij, appellante nadat zij haar klantmanager niet had kunnen spreken hierop geen verdere vervolgactie heeft ondernomen. Omdat appellante geen zelfstandig subject van bijstand was, had zij in de te beoordelen periode geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.9.

De stelling van appellanten dat de regelmatige aanwezigheid van appellant in de woning van appellante met name te maken had met de jongste dochter die een algehele ontwikkelingsachterstand heeft en die sterk gericht is op haar vader, leidt niet tot een ander oordeel. Bij de beoordeling of appellanten beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante is de feitelijke situatie bepalend. Daarbij zijn de omstandigheden die tot dat gezamenlijk hoofdverblijf hebben geleid, de motieven van betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.10.

Gelet op wat in 4.8 en 4.9 is overwogen was college 1 bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 1 juni 2006 tot en met 23 november 2011. En de gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB over die periode van haar terug te vorderen. Tevens was het college op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd die kosten mede van appellant terug te vorderen.

5.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat college 1 bij het vaststellen van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening had moeten houden met een eventueel aanvullend recht op bijstand naar de norm voor gehuwden in die periode. Deze beroepsgrond slaagt. Bij een schending van de inlichtingenverplichting is het bijstandverlenend orgaan in beginsel gerechtigd de over de betrokken periode gemaakte kosten volledig terug te vorderen. Naar vaste rechtspraak (zie voor de uitoefening van de terugvorderingsbevoegdheid bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3995) kan niet meer worden teruggevorderd dan per saldo ten onrechte aan bijstand is verleend, omdat met de terugvordering wordt beoogd de financiële gevolgen van het inlichtingenverzuim ongedaan te maken. Het is in situaties als deze aan de betrokkene om feiten te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan worden afgeleid dat ook als de verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen, volledige, althans aanvullende bijstand naar de norm voor een echtpaar over die periode zou zijn verstrekt. In dit geval kan worden aangenomen dat appellanten in de periode van 1 juni 2006 tot en met 27 april 2011 in aanmerking zouden zijn gekomen voor bijstand naar de norm voor gehuwden. Daarbij is van belang dat de inkomens- en vermogensgegevens van appellant over die periode bekend waren bij college 2 en dat college 2 hem over die periode bijstand heeft verleend. Dat brengt mee dat college 1 bij de hiervoor bedoelde beoordeling van het recht op (aanvullende) bijstand ervan kan uitgaan dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Gelet hierop is college 1 in dit geval dan ook niet gerechtigd om het volledige bedrag over de periode van

1 juni 2006 tot en met 27 april 2011 van appellante terug te vorderen en van appellant mede terug te vorderen. College 1 had dit bedrag moeten beperken tot het verschil tussen eenmaal de alleenstaande oudernorm plus eenmaal de alleenstaandennorm minus de gehuwdennorm

(vgl. ook de uitspraak van 13 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:995). Over de periode van 28 april 2011 tot en met 23 november 2011 heeft college 1 wel terecht het volledige bedrag aan bijstand teruggevorderd. Over die periode had appellant een inkomen uit zijn werkzaamheden als eigenaar van een restaurant, zodat appellanten geen recht zouden hebben gehad op bijstand.

5.2.

De rechtbank heeft wat is overwogen in 5.1 niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep deels slaagt en dat aangevallen uitspraak 1 zal worden vernietigd voor zover het de terugvordering van appellante en de medeterugvordering van appellant betreft. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaren en deze besluiten vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover het betreft de hoogte van het door

college 1 teruggevorderde bedrag. In dit geval kan het geschil niet finaal worden beslecht. Het gaat hier immers, gelet op wat in 5.1 is overwogen, om een financiële uitwerking die de Raad bij gebrek aan toereikende gegevens zelf niet kan maken. Aangezien de bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie, dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van het begrip gezamenlijke huishouding, zal college 1 worden opgedragen nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van

14 december 2012 voor zover het betreft de hoogte van het van appellanten teruggevorderde bedrag. Wel bestaat aanleiding om, met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil, met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op de bezwaren tegen de besluiten van 14 december 2012 slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. Voor het overige zal aangevallen uitspraak 1 worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2

6.1.

De gronden die appellant heeft aangevoerd tegen aangevallen uitspraak 2 zijn voor wat de intrekking van de aan hem toegekende bijstand betreft gelijk aan de gronden die tegen aangevallen uitspraak 1 zijn aangevoerd. Gelet op wat in 4.5 tot en met 4.9 is overwogen bestaat voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de periode van 1 juni 2006 tot en met 27 april 2011 zijn hoofdverblijf niet had op zijn uitkeringsadres maar op het adres van appellante. Appellant heeft hiervan geen mededeling gedaan aan college 2 en daarmee de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Voor appellant geldt dat hij, reeds omdat hij zijn woonplaats niet langer had in de gemeente Amsterdam, ook geen recht op bijstand had van college 2.

6.2.

College 2 was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 1 juni 2006 tot en met 27 april 2011.

6.3.

Voorts was college 2 bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals deze bepaling destijds luidde, de ten onrechte verleende bijstand van appellant over de periode van 1 juni 2006 tot en met 27 april 2011 terug te vorderen. Wat appellant heeft aangevoerd omtrent zijn financiële omstandigheden leidt niet tot het oordeel dat college 2 niet in redelijkheid tot terugvordering heeft kunnen besluiten. De Raad merkt daarbij op dat appellant zijn hoger beroep tegen bestreden besluit 4 ter zitting heeft ingetrokken, nadat van de zijde van college 2 is toegezegd de invordering van het teruggevorderde bedrag opnieuw in overleg met appellant te zullen vaststellen op basis van zijn huidige inkomenssituatie.

6.4.

Uit 6.1 tot en met 6.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat aangevallen uitspraak 2, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

Proceskosten

7.1.

Aanleiding bestaat college 1 te veroordelen in de proceskosten van appellanten in verband met het beroep tegen aangevallen uitspraak 1. Deze worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.980,-.

7.2.

Voor een veroordeling in de proceskosten in verband met het beroep tegen aangevallen uitspraak 2 bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Ten aanzien van aangevallen uitspraak 1

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de terugvordering en medeterugvordering

betreft;

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 11 april 2013 voor zover het

betreft de hoogte van het van appellanten teruggevorderde bedrag over de periode van 1 juni

2006 tot en met 27 april 2011;

- draagt college 1 op in zoverre nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren van

appellanten tegen de besluiten van 14 december 2012;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat beroep tegen die besluiten slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt college 1 in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat college 1 aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 211,- vergoedt.

Ten aanzien van aangevallen uitspraak 2

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en Y.J. Klik en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2017.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) A. Mansourova

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD