Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
16/925 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar de LFNP-functie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling overgang naar een LFNP-functie, is geschied of anderszins tot een onhoudbaar resultaat heeft geleid. De enkele stelling dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende voor de conclusie dat het resultaat van de matching (anderszins) onhoudbaar is te achten. Verwijzing naar de uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/925 AW

Datum uitspraak: 12 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

24 december 2015, 14/4510 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de van toepassing zijnde regelgeving betreffende dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Appellant was werkzaam als [functie 1], salarisschaal 8, bij de voormalige politieregio [regio].

1.3.

Nadat tussen partijen een geschil was gerezen over de vraag of de voor appellant geldende functiebeschrijving een juiste weergave bevat van de aan hem - uit hoofde van de onder 1.2 vermelde functie - feitelijk opgedragen taken, hebben partijen ergens in 2010 een ‘Vaststellingsovereenkomst mediation’ gesloten.

1.4.

De uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is vervolgens vastgesteld op de functie van [functie 1], salarisschaal 8, met als bijzonderheid: “De rechtspositionele afspraken zoals verwoord in de mediationovereenkomst 2010 zijn van toepassing. Specifieke werkzaamheden: onderwijs/training, ontwikkeling en examinering, begeleiding/advisering, contracten, bezwarende omstandigheden, voor specificatie van het vorenstaande, zie bijlage.” Tegen het besluit tot vaststelling van zijn uitgangspositie heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functie 2], met als vakgebied [vakgebied], gewaardeerd in salarisschaal 8. Bij besluit van 2 mei 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft de juistheid van die uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Zoals de rechtbank - in overeenstemming met de onder 1.1 genoemde uitspraken van

1 juni 2015 - terecht tot uitgangspunt heeft genomen, ontbeert de bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP-functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling), de transponeringstabel, het karakter van een algemeen verbindend voorschrift, maar neemt dat niet weg dat de tabel als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende. Verder kan de politieambtenaar zich niet beroepen op feiten of omstandigheden die hij reeds in het kader van de vaststelling van de uitgangspositie naar voren had kunnen brengen.

4.1.2.

Voor zover appellant zich op het standpunt stelt dat met het oordeel dat aan de transponeringstabel, ondanks dat deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, niettemin een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht in de onder 4.1.1 bedoelde zin, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de grondslag van het bestreden besluit wordt uitgebreid, deelt de Raad dit standpunt niet. Het bestreden besluit is gebaseerd op de transponeringstabel. Zoals al is geoordeeld in de uitspraken van 1 juni 2015, is die grondslag in beginsel toereikend. Die conclusie houdt geen aanvulling of wijziging van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde motivering in. Het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 15 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU6381 treft daarom geen doel. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1598.

4.1.3.

In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd door de transponeringstabel op te vatten als een algemeen verbindend voorschrift. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4804. Nu de rechtbank het bestreden besluit ondanks het vermeende gebrek in stand heeft gelaten, is er geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak op dit punt. Aan de beroepsgrond van appellant over de toepassing van artikel 6:22 van de Awb komt de Raad niet meer toe.

4.2.1.

Appellant heeft betoogd dat de korpschef bij de keuze voor het domein [domein 1] in strijd heeft gehandeld met artikel 3, vierde lid, van de Regeling, nu de korpschef ten onrechte niet de door de Regeling voorgeschreven volgorde heeft gehanteerd, waarbij eerst het meest vergelijkbare domein dient te worden bepaald en vervolgens pas het meest vergelijkbare vakgebied. Appellant heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 mei 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:4736.

4.2.2.

Appellant heeft met dit betoog niet aannemelijk gemaakt dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied. Uit de Handleiding [domein 2] matching LFNP 2013 (Handleiding) kan niet worden afgeleid dat daarin een van de Regeling afwijkende - door de korpschef in het onderhavige geval gevolgde - volgorde is voorgeschreven. Ook anderszins is van strijd met artikel 3, vierde lid, van de Regeling niet gebleken. Appellants stelling dat bij de matching niet de door de Regeling dwingend voorgeschreven volgorde is gehanteerd, vindt ook geen steun in het functievergelijkingsformulier waarin de motivering van de bestreden matching is opgenomen. Volgens dit formulier is voor het domein [domein 1] als het meest vergelijkbare gekozen omdat uit de korpsfunctie(beschrijving) blijkt dat een bijdrage wordt geleverd aan een effectief en efficiënt werkende politieorganisatie, terwijl tegelijkertijd uit de korpsfunctie(beschrijving) blijkt dat geen of een beperkte directe bijdrage wordt geleverd aan operationele politietaken. Blijkens het formulier is binnen dit domein vervolgens gekozen voor het vakgebied [vakgebied] op grond van de daarbij weergegeven - onder 4.3.3 nader aan te halen - motivering. Voor de keuze van de LFNP-functie binnen het vakgebied is in overeenstemming met de toepasselijke regelgeving de salarisschaal bepalend geacht. Het betoog slaagt niet.

4.3.1.

Appellant heeft voorts betoogd dat het resultaat van de matching onhoudbaar is te achten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat wat betreft zijn (korps)functie niet het domein [domein 1] het meest vergelijkbaar is, maar het domein [domein 2].

4.3.2.

De functie van [functie 1] is blijkens de korpsfunctiebeschrijving in het bijzonder gericht op het geven van onderwijs en training, praktijkinstructie en theorielessen op het gebied van rijvaardigheid/rijveiligheid, alsmede het ontwikkelen, inhoudelijk samenstellen en actueel houden van de lesstof, toetsen en leermiddelen en het begeleiden/adviseren op dat terrein.

4.3.3.

Blijkens het functievergelijkingsformulier is binnen het domein [domein 1] gekozen voor het vakgebied [vakgebied] op grond van de volgende overwegingen:

“[vakgebied] dragen bij aan een effectieve en efficiënte organisatie door cursisten op te leiden tot competente medewerkers, die daarmee beschikken over politiespecifieke kennis, vaardigheden en gedragskenmerken (competenties), in overeenstemming met de gevraagde deskundigheid in hun (beoogde) functie, voor nu en in de toekomst. [vakgebied] ontwikkelen onderwijspakketten die nauw aansluiten aan de actuele deskundigheidsvereisten in vastgestelde functies van de Nederlandse Politie. Voor dit vakgebied is gekozen, omdat de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden uit de korpsfunctie hiermee het meest vergelijkbaar is.”

4.3.4.

De kern van de korpsfunctie van appellant bestaat - zo volgt uit 4.3.3 - uit kennisoverdracht en/of het bijbrengen van vaardigheden. Blijkens pagina 50 van de Handleiding [domein 2] matching LFNP 2013 (Handleiding) is het wezenskenmerk van een docent de overdracht van kennis en/of het aanleren van vaardigheden. Indien uit een korpsfunctiebeschrijving blijkt dat in overwegende mate sprake is van de hiervoor bedoelde elementen, is het domein [domein 1], vakgebied [vakgebied], het meest vergelijkbaar. Dat het domein [domein 1] het meest vergelijkbaar is, volgt uit de keuze zoals gemaakt in het systeem LFNP. In dit domein komt immers het vakgebied [vakgebied] voor. Dat een docent mogelijkerwijze deelneemt of ter plaatse doceert aan de (dagelijkse) politiepraktijk en/of zelf risico loopt in het kader van praktijklessen, maakt vorenstaande niet anders, gelet op meergenoemde systeemkeuze, aldus de Handleiding. Gelet op de korpsfunctiebeschrijving, de toelichting in de Handleiding alsmede de in het functievergelijkingsformulier gegeven motivering, acht de Raad de keuze voor het domein [domein 1] voldoende (inzichtelijk) gemotiveerd (vergelijk de uitspraak van 14 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2710).

4.4.

In aanmerking genomen dat het hoofdbestanddeel van de korpsfunctie van appellant bestaat uit kennisoverdracht en/of het bijbrengen van vaardigheden, heeft de korpschef op goede gronden de LFNP-functie van [functie 2], met als vakgebied [vakgebied], aan appellant toegekend.

4.5.

De conclusie is dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins tot een onhoudbaar resultaat heeft geleid. De enkele stelling dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende voor de conclusie dat het resultaat van de matching (anderszins) onhoudbaar is te achten.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2017.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) P.W.J. Hospel

sg