Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3075

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
16/4697 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-dagloon juist vastgesteld. In het Dagloonbesluit is er bewust voor gekozen dat het Uwv gebruik kan maken van het loon of de uitkering die in de polisadministratie is opgenomen. Het is niet wenselijk om het Dagloonbesluit zo aan te passen dat het volledige inkomen tijdens de referteperiode wordt meegenomen, ongeacht het moment van uitbetaling. Er is dan ook geen grond om artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit buiten toepassing te laten. Hieruit volgt dat er evenmin grond is om het aantal dagloondagen in de noemer van de formule in artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit in het geval van appellante naar beneden bij te stellen op 29.

Wetsverwijzingen
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2017/372

Uitspraak

16/4697 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

2 juni 2016, 15/4697 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 30 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M.C. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 februari 2017 heeft het Uwv naar aanleiding van door de Raad gestelde vragen een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken op de bijgaande lijst, plaatsgevonden op 7 juni 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in elk van deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was vanaf 8 april 2014 werkzaam via [Naam werkgeefster B.V] (werkgeefster) als [naam functie a]. Appellante kreeg haar loon per vier weken uitbetaald. Op 23 juli 2014 is zij wegens ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden. Op 8 april 2015 is het dienstverband beëindigd. Appellante heeft tot aan deze datum loon betaald gekregen.

1.2.

Bij besluit van 21 juli 2015 heeft het Uwv appellante met ingang van 8 april 2015 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Daarbij is het dagloon vastgesteld op € 108,42.

1.3.

Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt omdat het dagloon volgens haar te laag is vastgesteld. Bij beslissing op bezwaar van 20 oktober 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de polisadministratie blijkt dat de werkgeefster per maand aangifte deed bij de Belastingdienst, zodat er sprake is van een aangiftetijdvak van één maand, ondanks dat de loonbetaling per vier weken plaatsvond. Uitgaande van een aangiftetijdvak van één maand, heeft het Uwv de referteperiode juist vastgesteld over de periode van 8 april 2014 tot en met 31 mei 2014. Het bedrag aan loon dat in deze referteperiode aan appellante is betaald, is niet in geschil. Het Uwv heeft volgens de rechtbank in overeenstemming met het bepaalde in het Dagloonbesluit het dagloon terecht vastgesteld op € 108,42 door het opgegeven loon tijdens de voor appellante geldende referteperiode te delen door 39 dagloondagen. Hieraan doet niet af dat het loon van appellante per vier weken werd betaald, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van het Dagloonbesluit, aldus de rechtbank.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar situatie, waarbij sprake is van een loonbetaling per vier weken en een loonaangifte per maand, niet is voorzien door de materiële wetgever (hierna: besluitgever). Daarbij heeft de besluitgever ook niet voorzien welke onredelijke negatieve gevolgen dit heeft in een geval als dat van appellante, waarbij niet het volledige in de referteperiode verdiende loon in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het dagloon, terwijl wél alle dagloondagen van de referteperiode in aanmerking worden genomen. Hierdoor is het dagloon van appellante geen weerspiegeling van het welvaartsniveau dat zij had voorafgaand aan de datum ziekmelding. Om die redenen dient artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit in het geval van appellante buiten toepassing te blijven. Volgens appellante moet het Uwv aansluiting zoeken bij de in het Dagloonbesluit geregelde situatie dat over een ‘afwijkend tijdvak’ aangifte wordt gedaan. Dit zou volgens appellante betekenen dat de referteperiode moet worden vastgesteld op basis van een aangiftetijdvak van vier weken, of dat het aantal dagloondagen in de referteperiode naar beneden moet worden bijgesteld op het aantal dagen in de referteperiode waarover aangifte is gedaan, te weten 29.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. In de brief van

24 februari 2017 heeft het Uwv desgevraagd een dagloonberekening gemaakt, uitgaande van de situatie waarin de werkgeefster per vier weken het loon bij de Belastingdienst zou hebben opgegeven. Het dagloon van appellante bedraagt dan € 86,30.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het dagloon wordt berekend op grond van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, zoals dat besluit luidde in de periode van 1 juni 2013 tot 1 juli 2015 (Stb. 2013, 185, Dagloonbesluit).

In artikel 1, aanhef en onder a, van het Dagloonbesluit is aangiftetijdvak gedefinieerd als: het tijdvak van vier weken dan wel één maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen, betrekking heeft danwel, indien de werkgever over een afwijkend tijdvak aangifte doet, het tijdvak waarover loon is betaald van één maand of vier weken of herleid tot één maand of vier weken.

Volgens artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt onder refertejaar voor de ZW in dit hoofdstuk verstaan de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte is ingetreden.

In artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat voor de toepassing van dit hoofdstuk de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.

In artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat het dagloon van een uitkering op grond van de ZW de uitkomst is van de volgende berekening:

[(A – B) x 108/100 + C] / D

waarbij:

A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert;

B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in het refertejaar heeft genoten;

C staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en

D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden is aangevangen na aanvang van het refertejaar, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar.

4.2.

Uit de berekening van het Uwv, zoals weergegeven in 3.2, blijkt dat in het geval van appellante het dagloon lager uitvalt als wordt uitgegaan van een loonaangifte per vier weken. Ter zitting heeft appellante, gelet hierop, de beroepsgrond laten vallen dat het Uwv had moeten uitgaan van een ander aangiftetijdvak.

4.3.

Appellante is wegens ziekte uitgevallen op 23 juli 2014, zodat op grond van artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit het refertejaar liep van 1 juni 2013 tot en met 31 mei 2014. De dienstbetrekking waaruit appellante ziek is geworden, is aangevangen op 8 april 2014. Blijkens de gegevens uit de polisadministratie (Suwinet) heeft de werkgeefster over de periode van 1 april 2014 tot en met 31 mei 2014 aangifte gedaan van een bedrag aan loon van € 4.214,06 over 29 loondagen. Dit betreft, zoals blijkt uit de loonstroken, negen gewerkte dagen in de periode van 8 april 2014 tot en met 18 april 2014 en twintig gewerkte dagen in de periode van 21 april 2014 tot en met 16 mei 2014. De tien dagen die appellante in de periode van 19 mei 2014 tot en met 30 mei 2014 heeft gewerkt, zijn opgenomen in de loonaangifte over juni 2014. Het Uwv heeft het dagloon berekend door het over de maanden april en mei opgegeven loon met toepassing van de formule in artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit te delen door 39 dagloondagen.

4.4.

Dat het loon over de tien gewerkte dagen in de periode van 19 mei 2014 tot en met
30 mei 2014 niet is meegenomen in de dagloonberekening is een gevolg van het feit dat de werkgeefster dit loon heeft opgenomen in de loonaangifte over juni 2014, welke maand na het refertejaar ligt. Daarmee is een juiste toepassing gegeven aan artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit en gaat het Uwv er op grond van die bepaling van uit dat appellante het loon heeft genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgeefster van dat loon opgave heeft gedaan. Deze toepassing is overeenkomstig de bedoeling van de besluitgever. In de nota van toelichting bij artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit wordt herhaald wat ook al uit de tekst van de hiervoor behandelde bepalingen blijkt, namelijk dat het dagloon gebaseerd wordt op het loon dat de werknemer heeft genoten in de aangiftetijdvakken, gelegen in de referteperiode, en dat de opgave van de werkgeefster aan de Belastingdienst bepalend is voor de toerekening van loon aan een bepaald aangiftetijdvak.

4.5.1.

Anders dan appellante heeft gesteld, heeft de besluitgever daarbij voorzien dat dit tot gevolg kan hebben dat het dagloon lager uitvalt doordat een deel van het sv-loon dat betrekking heeft op de referteperiode, maar door de werkgeefster is opgegeven na afloop van de referteperiode, niet wordt meegenomen in de berekening van het dagloon. Dit terwijl de dagen waarop dit loon betrekking heeft wel worden meegenomen bij het aantal dagloondagen in de noemer van de formule voor de berekening van het dagloon.

4.5.2.

Dit wordt bevestigd door de antwoorden van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister) van 3 mei 2017 op vragen van een Kamerlid over de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5888. Deze uitspraak gaat over een WW-uitkering die wordt uitbetaald na de referteperiode, maar betrekking heeft op een periode in de referteperiode. De minister heeft geantwoord dat er geen sprake is van een onbedoeld effect, dat in het Dagloonbesluit bewust ervoor is gekozen dat het Uwv gebruik kan maken van het loon of de uitkering die in de polisadministratie is opgenomen, en dat het niet wenselijk is om het Dagloonbesluit zo aan te passen dat het volledige inkomen tijdens de referteperiode wordt meegenomen, ongeacht het moment van uitbetaling. Er is dan ook geen grond om artikel 4, eerste lid, van het Dagloonbesluit buiten toepassing te laten. Hieruit volgt dat er evenmin grond is om het aantal dagloondagen in de noemer van de formule in artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit in het geval van appellante naar beneden bij te stellen

op 29.

4.6.

Uit wat in 4.2 tot en met 4.5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2017.

(getekend) C.C.W.I. Lange

(getekend) N. Veenstra

HD

16/4062 ZW

[A]

15/4212 WW

[B]

15/3811 ZW

17/3609 ZW

[C]

17/2607 WW

[C]