Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
16/3735 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Voldoende zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/3735 WIA

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 mei 2016, 15/2193 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.L.J. Weltevrede. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 16/3734. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als productiemedewerkster tuinbouw voor 29,08 uur per week, toen zij zich op 4 juni 2012 ziek meldde met psychische klachten.

1.2.

Op 9 september 2014 heeft appellante een uitkering aangevraagd op grond van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 26 september 2014 heeft zij het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellante per 26 september 2014 vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige heeft appellante daarna geschikt geacht voor de maatgevende arbeid van productiemedewerkster tuinbouw. Bij besluit van
28 oktober 2014 heeft het Uwv vervolgens vastgesteld dat appellante met ingang van
2 oktober 2014 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat zij per die datum geschikt is voor de maatgevende arbeid.

1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 28 oktober 2014 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en zijn beslissing gehandhaafd dat appellante ondanks haar beperkingen in staat moet worden geacht om per 2 oktober 2014 de maatgevende arbeid te verrichten en subsidiair met passende arbeid ten minste 65% van haar maatmaninkomen te verdienen. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 februari 2015 ten grondslag en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 maart 2015. Deze arbeidsdeskundige heeft het standpunt dat appellante geschikt is voor de maatgevende arbeid onderschreven. Subsidiair heeft hij vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is, nadat hij op basis van een drietal geselecteerde functies heeft berekend dat appellante met passend werk meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig geacht en heeft geen aanleiding gezien de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 6 augustus 2015 heeft gereageerd op het in beroep overgelegde verslag van 2 juni 2015 van Instituut Psychosofia.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het Uwv de uit haar lichamelijke en psychische klachten voortvloeiende beperkingen heeft onderschat. De rechtbank heeft volgens haar niet onderkend dat ook na heroverweging in bezwaar sprake is van een onvoldoende medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante heeft daarbij gewezen op eerdere rapporten van verzekeringsartsen van het Uwv waarin door de verzekeringsartsen werd uitgegaan van meer beperkingen, onder andere in verband met concentratie-, aandacht- en geheugenproblemen. Ten onrechte zijn volgens haar geen beperkingen aangenomen op de items één tot en met acht in de rubriek persoonlijk functioneren en in de rubriek sociaal functioneren op de items één tot en met zeven. Appellante heeft gesteld dat het aan het Uwv is om aan te tonen dat zij op deze items niet beperkt is en dat het Uwv dit heeft nagelaten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is de verzekerde gedeeltelijk arbeidsongeschikt als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Van belang is dat een volledige heroverweging en een eigen onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht, appellante gezien op de hoorzitting, informatie van de behandelend sector en een verslag van 12 februari 2015 van de directrice van Instituut Psychosofia bij zijn beoordeling betrokken.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in het rapport van 26 februari 2015 overtuigend en navolgbaar op het standpunt gesteld dat appellante ondanks haar psychische klachten op 2 oktober 2014 geschikt moet worden geacht voor de maatgevende arbeid. Behalve aan zijn eigen bevindingen heeft hij daarbij waarde gehecht aan de informatie uit de brief van 26 november 2014 van GZ-psycholoog M. Mudde van de Riagg. Daarin is vermeld dat appellante een licht depressieve stoornis had die inmiddels deels in remissie is. Volgens Mudde is activeren belangrijk. Hierin worden geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat voor het aannemen van meer beperkingen geen aanleiding is. Er bestaat evenmin aanleiding voor twijfel aan zijn standpunt dat er geen argument is voor het veronderstellen van lichamelijke beperkingen. In dit verband heeft hij begrijpelijkerwijs betekenis gehecht aan het feit dat appellante noch bij de telefonische ziekmelding op 12 september 2014 noch op de spreekuren van 26 september 2014 en 27 oktober 2014 melding heeft gemaakt van het bestaan van lichamelijke klachten. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat uit de verslagen van
12 februari 2015 en 2 juni 2015 van Instituut Psychosofia niet blijkt van medische problematiek die is onderschat, wordt onderschreven. Hierin worden met name al bekende medische gegevens opnieuw in kaart gebracht zonder een zodanige argumentie die twijfel doet ontstaan aan de conclusies van de artsen van het Uwv. Geconcludeerd wordt dat wat appellante heeft aangevoerd, onvoldoende is voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M.S.E.S. Umans

AB