Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3069

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
16/7113 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het in beroep ingenomen standpunt van appellanten dat de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, onder gelijktijdige toekenning van de tegemoetkoming AOW-hiaat, de compensatie en aanvullende maatregel, gegeven de mogelijkheid het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wgbla, wordt niet onderschreven. Hiertoe wordt, kortheidshalve, verwezen naar wat hierover in de uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1473, is overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/7113 AW, 17/1433 AW, 16/7133 AW, 17/1429 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de beroepen tegen de besluiten van de Minister van Defensie van
10 oktober 2016

Partijen:

[appellant 1] wonende te [woonplaats 1] (appellant 1)

[appellant 2], wonende te [woonplaats 2] (appellant 2)

de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 24 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Bij uitspraken van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2618 en ECLI:NL:CRVB:2016:2619, heeft de Raad - voor zover hier van belang - de minister opdracht gegeven nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren van appellanten, gericht tegen de beëindiging van hun wachtgeld op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad), met inachtneming van hetgeen in die uitspraken is overwogen. De Raad heeft daarbij met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen de nieuwe besluiten slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Ter uitvoering van deze uitspraken heeft de minister de besluiten van 10 oktober 2016 (bestreden besluiten) genomen.

Tegen de bestreden besluiten heeft mr. F. van der Kant-Dessens namens appellant 1 en
mr. F.M. van den Boogerd-Zuijderwijk namens appellant 2 beroep ingesteld.

Bij besluiten van 15 december 2016 heeft de minister de bestreden besluiten aangevuld met vergoeding van de bezwaarkosten. Appellanten kunnen zich met die aanvullende besluiten verenigen.

Op 19 december 2016 heeft de Raad de minister vragen gesteld. Daarop heeft de minister op 10 februari 2017 geantwoord, waarbij per appellant een individueel inkomensoverzicht is ingezonden. Voorts heeft de minister op 10 februari 2017 een verweerschrift ingediend en per appellant nadere besluiten genomen.

Appellanten hebben vervolgens hun reactie kenbaar gemaakt omtrent deze inkomensoverzichten, het verweerschrift en de nadere besluiten van 10 februari 2017 (nadere besluiten). Vervolgens heeft de minister bij brief van 13 maart 2017 gereageerd. Bij brief van 14 maart 2017 heeft de minister nog een aangepast inkomensoverzicht ten aanzien van appellant 2 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, op 15 maart 2017 plaatsgevonden. Appellanten zijn verschenen. Appellant 1 heeft zich laten bijstaan door
mr. Van der Kant-Dessens en appellant 2 door mr. Van den Boogerd-Zuijderwijk. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. van Arkel en mr. S.M.L. Timmermans, advocaten, mr. M.A. Suwout en drs. D.S. Siesling.

Na de behandeling ter zitting is de behandeling van de onderhavige zaken gesplitst van de andere soortgelijke zaken, waarin de Raad op 26 april 2017 uitspraak heeft gedaan, ECLI:NL:CRVB:2017:1473. In onderhavige zaken heeft de Raad het onderzoek heropend en appellanten, overeenkomstig hun verzoek, in de gelegenheid gesteld een deskundige in te schakelen.

Bij brief van 29 mei 2017 heeft mr. Van der Kant-Dessens namens appellant 1 het rapport van
15 mei 2017 van drs. E.H.W Bosman van Pensum BV en een brief van appellant 1 ingezonden. Bij brief van 1 juni 2017 heeft mr. Van den Boogerd-Zuijderwijk namens appellant 2 de uitkomst van het onderzoek van de door haar ingeschakelde actuaris bericht.

Partijen hebben toestemming verleend de zaak verder buiten zitting af te doen, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraken van 18 juli 2016. De Raad volstaat nu met het volgende.

1.1.

Appellanten waren als burgerambtenaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Aan appellanten 1 en 2 is met ingang van 1 februari 2014 onderscheidenlijk 1 januari 2014 overtolligheidsontslag verleend met toepassing van artikel 116, eerste lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie en het Sociaal Beleidskader Defensie 2004. Bij besluiten van 7 februari 2014 onderscheidenlijk 10 januari 2014 heeft de minister aan appellanten 1 en 2 aansluitend aan hun ontslag wachtgeld op grond van het Wbad toegekend tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin zij de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt.

1.2.

Ingevolge de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, Stb. 2012, 328 (Wet VAP), en de Wet van 4 juni 2015, Stb. 2015, 218, wordt de pensioengerechtigde leeftijd zoals bedoeld in de Algemene Ouderdomswet (AOW-leeftijd) vanaf 2013 in stappen verhoogd tot 67 jaar in 2021. Vanaf 2022 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Dit heeft onder andere tot gevolg dat appellanten niet vanaf 65-jarige leeftijd recht hebben op een AOW-uitkering, maar pas vanaf de voor hen geldende verhoogde AOW-leeftijd. Sinds
1 januari 2015 kent het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) het ouderdomspensioen vanaf deze verhoogde AOW-leeftijd toe.

1.3.

Op 1 oktober 2015 is de ‘Voorlopige voorziening tegemoetkoming inkomensderving als gevolg van ophoging AOW-leeftijd’, Stcrt. 28 september 2015, nr. 31772 (Voorlopige voorziening), in werking getreden. De Voorlopige voorziening vormt de vastlegging van de tussen de minister en vakbonden gemaakte afspraken. In artikel 2 van de Voorlopige voorziening is bepaald dat een gewezen defensieambtenaar die de leeftijd van 65 jaar bereikt waardoor zijn uitkering eindigt, tot het bereiken van de voor hem geldende AOW-leeftijd aanspraak heeft op een maandelijkse tegemoetkoming, die gelijk is aan de bruto
AOW-uitkering (inclusief vakantiegeld), die voor hem volgens de AOW in de desbetreffende maand gegolden zou hebben indien daarop aanspraak zou hebben bestaan.

1.4.

In de hiervoor genoemde uitspraken van 18 juli 2016 heeft de Raad - voor zover hier van belang - geoordeeld dat de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, onder gelijktijdige toekenning van de tegemoetkoming op grond van de Voorlopige voorziening, en gegeven de mogelijkheid het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla).

1.5.

Ter uitvoering van de uitspraken van 18 juli 2016 heeft de minister de bestreden besluiten genomen. Bij die besluiten heeft de minister de beëindiging van het aan appellanten toegekende wachtgeld op grond van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd gehandhaafd. Daarbij is aan appellanten voor de periode vanaf dat zij 65 jaar worden totdat zij de AOW-leeftijd hebben bereikt, een maandelijkse bruto uitkering toegekend die een netto uitkering oplevert die gelijk is aan de netto AOW-uitkering, inclusief vakantiegeld (tegemoetkoming AOW-hiaat). Daarnaast is aan appellanten voor diezelfde periode een compensatie (bruto) toegekend in verband met het feit dat appellanten (mogelijk) hun ouderdomspensioen vervroegd laten ingaan bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar (compensatie). Daarbij heeft de minister toegelicht dat de vanaf 2014 opgebouwde pensioenaanspraken verlaagd worden als gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het ouderdomspensioen vanaf 65 jaar te laten ingaan, omdat deze pensioenaanspraken overeenkomstig de Wet VAP een pensioenrichtleeftijd van 67 jaar hebben. De compensatie is in waarde (bruto) gelijk aan voornoemde verlaging van de pensioenaanspraken in vergelijking met de situatie vóór invoering van de Wet VAP. De compensatie wordt ook toegekend als geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid het ouderdomspensioen eerder dan bij het bereiken van de AOW-leeftijd te laten ingaan.

1.6.

Bij de nadere besluiten heeft de minister de bestreden besluiten aangevuld. Indien in de periode vanaf het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot aan het bereiken van de
AOW-leeftijd het totaalbedrag van de tegemoetkoming AOW-hiaat en de compensatie, vermeerderd met het (vervroegd ingegane) ouderdomspensioen, netto minder bedraagt dan 90% van de gerechtvaardigde aanspraken van appellanten, dan wordt dit bedrag bruto zodanig aangevuld dat deze in ieder geval gelijk is aan 90% van de gerechtvaardigde aanspraken van appellanten (aanvullende maatregel). De nadere besluiten worden, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.

2. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

2.1.

Met de bij de bestreden besluiten, aangevuld bij de nadere besluiten, getroffen voorzieningen (regeling) is getracht een oplossing te vinden voor het gegeven dat als gevolg van de ophoging van de AOW-leeftijd ingevolge de Wet VAP, de AOW- en pensioenaanspraken van appellanten niet meer aansluiten op hun wachtgeld op grond van het Wbad, waardoor zij inkomensverlies lijden. De Raad zal dan ook de regeling in dat licht bezien.

2.2.

Het in beroep ingenomen standpunt van appellanten dat de beëindiging van het wachtgeld op grond van artikel 17 van het Wbad bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, onder gelijktijdige toekenning van de tegemoetkoming AOW-hiaat, de compensatie en aanvullende maatregel, gegeven de mogelijkheid het door het ABP toe te kennen ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan bij het bereiken van die leeftijd, verboden onderscheid naar leeftijd oplevert als bedoeld in de Wgbla, wordt niet onderschreven. Hiertoe wordt, kortheidshalve, verwezen naar wat hierover in de uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1473, is overwogen. De Raad heeft geen aanleiding in de onderhavige zaken anders te oordelen. De door appellant 1 ingeschakelde deskundige Bosman heeft in zijn rapport laten weten akkoord te zijn met het door de minister op 10 februari 2017 overgelegde inkomensoverzicht van appellant 1 en mr. Van den Boogerd-Zuiderwijk heeft bij brief van 1 juni 2017 bericht dat de door haar namens appellant 2 ingeschakelde actuaris het door de minister ingezonden individuele inkomensoverzicht van appellant 2 juist heeft bevonden.

3. Het vorenstaande betekent dat de beroepen tegen de bestreden besluiten, zoals aangevuld bij de nadere besluiten, ongegrond moeten worden verklaard. Weliswaar zijn die besluiten in zoverre niet draagkrachtig gemotiveerd dat daaruit onvoldoende concreet blijkt wat de financiële gevolgen van de regeling voor appellanten, uitgaande van ongewijzigde omstandigheden, bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd zijn, maar de Raad ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu de minister met de individuele inkomensoverzichten alsnog duidelijkheid heeft verschaft.

4. Er bestaat aanleiding de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellanten voor verleende rechtsbijstand in beroep. Deze kosten bedragen voor appellant 1 € 1.237,50 en voor appellant 2 € 464,06,- (vanwege de samenhang met de zaken van de appellanten 16 tot en met 18 van de hiervoor genoemde uitspraak van
26 april 2017).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 10 oktober 2016, aangevuld bij de besluiten
van 10 februari 2017, ongegrond;
- veroordeelt de minister in de kosten van appellant 1 tot een bedrag van € 1.237,50 en van
appellant 2 tot een bedrag van € 464,06;

- bepaalt dat de minister aan appellanten het in beroep door elk van hen betaalde griffierecht
van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2017.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) P.W.J. Hospel

HD