Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3064

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
15/7078 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Lagere vaststelling en terugvordering pgb. Niet voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Evenredige belangenafweging. Het Zorgkantoor was bevoegd de betaalde voorschotten terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7078 AWBZ

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

14 september 2015, 15/1503 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Stichting Wlz-uitvoerder Zorg en Zekerheid (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Namens appellante is verschenen mr. Kaya. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.H. Minkhorst en mr. R. Roodenburg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het Zorgkantoor heeft aan appellante op grond van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) voor het jaar 2014 een netto persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 30.878,05 voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Appellante heeft op 1 augustus 2014 een verantwoordingsformulier over de eerste helft van 2014 bij het Zorgkantoor ingediend. Hierop is vermeld dat € 15.020,88 is besteed aan zorg verleend door zorgverlener [naam zorgverlener].

1.3.

Bij brief van 4 september 2014 heeft het Zorgkantoor de verantwoording van het pgb over de eerste helft van 2014 afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 15 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van appellante tegen de brief van 4 september 2014 ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de door appellante overgelegde verantwoording niet kan worden afgeleid dat betalingen aan de zorgverlener hebben plaatsgevonden en dat het pgb op juiste wijze is besteed.

1.5.

Bij besluit van 4 juni 2015 heeft het Zorgkantoor het pgb van appellante voor het jaar 2014 vastgesteld op nihil en bepaald dat appellante een bedrag van € 30.878,05 aan te veel ontvangen voorschotten moet terugbetalen. Appellante heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Zorgkantoor zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de aan het pgb verbonden verplichtingen, zodat het Zorgkantoor de verantwoording terecht heeft afgewezen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat uit de verantwoordingsstukken kan worden afgeleid dat het pgb op juiste wijze is besteed.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verwijst naar de uitspraken van 14 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4641 en ECLI:NL:CRVB:2016:4642, waarin is uiteengezet hoe het wettelijk systeem voor de verlening, verantwoording en vaststelling van een pgb op grond van de AWBZ moet worden begrepen. Toepassing van hetgeen in die uitspraken is overwogen leidt de Raad in deze zaak tot het volgende.

4.2.

In geschil is de verantwoording van de besteding van het pgb van appellante over de eerste helft van 2014. Deze verantwoording berust op artikel 2.6.9, achtste lid, aanhef en onder b, van de Rsa en leidt tot het besluit bedoeld in artikel 2.6.13, eerste lid, van de Rsa. Uit laatstgenoemd artikellid, gelezen in samenhang met artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa, in verbinding met artikel 1.1.1, aanhef en onder j of k, van de Rsa vloeit voort dat dit besluit enkel betrekking kan hebben op de vraag of de verantwoorde zorg zich kwalificeert als een in artikel 1.1.1, aanhef en onder j of k, van de Rsa aangewezen vorm van zorg. Anders dan het Zorgkantoor heeft bepleit, wordt bij dit besluit niet betrokken of daadwerkelijk is betaald voor deze zorg.

4.3.

Het bestreden besluit houdt in dat het bezwaar tegen de brief van 4 september 2014 houdende afkeuring van de ingediende verantwoording over de eerste helft van 2014 ongegrond wordt verklaard. Uit de onder 4.1 genoemde uitspraken en 4.2 volgt dat het Zorgkantoor met de brief van 4 september 2014 een buitenwettelijke beslissing heeft genomen en dat het bestreden besluit in zoverre geacht wordt deel uit te maken van het vaststellingsbesluit van 4 juni 2015, waartegen appellante niet separaat bezwaar of beroep heeft ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit moet in zoverre geacht worden te zijn gericht tegen het vaststellingsbesluit van 4 juni 2015. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 4 juni 2015 beoordelen.

4.4.

Niet in geschil is dat appellante geen girale betalingen heeft verricht voor het inkopen van zorg uit het pgb. Hieruit volgt dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 2.6.9 van de Rsa. Het Zorgkantoor was dan ook op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd om het pgb lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de bevoegdheid om pgb’s lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging.

4.6.

De door appellante aangevoerde omstandigheden maken niet dat geoordeeld moet worden dat het Zorgkantoor niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen om het pgb lager vast te stellen. Uit de verstrekte verantwoording kan niet worden opgemaakt dat het pgb daadwerkelijk is besteed aan zorg. Zo zijn de kwitanties voor de contante betalingen voorzien van een datum aan het begin van de maand waarin de zorg is verleend en waarover na afloop van de maand een declaratie werd opgemaakt en wijken de betalingen op de kwitanties af van de daadwerkelijk opgenomen bedragen. Met de toelichting van appellante dat dit komt omdat de zorgverlener een variabel aantal uren per maand werkte en dat maanden met minder zorg werden verrekend met maanden met meer zorg, heeft appellante niet de onduidelijkheden over de betalingen en de besteding van het pgb verklaard.

4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 vloeit voort dat het Zorgkantoor bevoegd was de betaalde voorschotten op grond van artikel 4:95 van de Awb terug te vorderen. Appellante heeft geen gronden aangevoerd tegen de wijze waarop het Zorgkantoor gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering.

4.8.

Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 4 juni 2015 ongegrond is.

5. Er is aanleiding om het Zorgkantoor te veroordelen tot vergoeding van de kosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2015 ongegrond;

- veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.980,-;

- bepaalt dat het Zorgkantoor aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) B. Dogan

IJ