Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
17/64 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:7812, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17/64 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 december 2016, 16/2108 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 16 augustus 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.P. Boer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boer. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 7 december 2015 heeft de minister de studiefinanciering van appellante voor het jaar 2016 vastgesteld. Hierbij is onder meer de hoogte van de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de vader en moeder van appellante vastgesteld.

1.2.

Bij besluit van 22 maart 2016 (bestreden besluit) heeft de minister het op
18 februari 2016 gemaakte bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 december 2015 niet‑ontvankelijk verklaard. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en dat er geen redenen zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat niet duidelijk was dat het bericht van 7 december 2015 een voor bezwaar vatbaar besluit betrof. Daarnaast ontbrak daarin een deugdelijke rechtsmiddelenclausule. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij niet op de juiste manier voor digitale bekendmaking van berichten heeft gekozen, nu zij de algemene voorwaarden pas na ontvangst van het besluit van 7 december 2015 heeft geaccepteerd. Appellante heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht, omdat zij wegens een problematische relatie met haar vader – waarvoor zij ook onder behandeling was bij een psycholoog – niet in staat was om in een eerder stadium een bezwaarschrift in te dienen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Anders dan appellante heeft betoogd, blijkt uit het bericht van 7 december 2015 duidelijk dat dit moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit besluit is, voor zover hier van belang, de hoogte van de studiefinanciering voor het jaar 2016 vastgesteld en is weergegeven waar de studiefinanciering uit bestaat. Daarmee is de beslissing onmiskenbaar op rechtsgevolg gericht. Voorts is in dat besluit vermeld dat indien de studerende het niet eens is met dat besluit, hij de toelichting dient te lezen. Deze toelichting is te lezen via de e-mail waarin appellante erop wordt gewezen dat er een bericht op de site is geplaatst. In de toelichting is – onder meer – de rechtsmiddelenclausule opgenomen. Het is de Raad niet kunnen blijken dat appellante deze
e-mail en toelichting niet heeft ontvangen. Indien appellante deze toelichting niet heeft kunnen vinden, had het op haar weg gelegen om bij de minister daarnaar te informeren. Dat appellante dat niet heeft gedaan, komt voor haar rekening en risico.

4.2.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante haar bezwaarschrift tegen het besluit van 7 december 2015 na afloop van de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn heeft ingediend.

4.3.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat appellante ten tijde van belang ervoor heeft gekozen om berichten met betrekking tot de studiefinanciering digitaal, via “Mijn DUO”, te ontvangen en dat zij het besluit van 7 december 2015 digitaal heeft ontvangen. De stelling van appellante dat zij pas op een later moment de algemene voorwaarden met betrekking tot het digitaal ontvangen van berichten heeft geaccepteerd treft geen doel. Een studerende die kiest voor digitale bekendmaking van de berichten dient hiertoe de algemene voorwaarden van “Mijn DUO” te accepteren. Niet denkbaar is dat appellante dit destijds niet zou hebben gedaan, omdat dan de procedure van aanmelding niet kan worden doorlopen.

4.4.

De stelling van appellante dat zij wegens een problematische relatie met haar vader en de behandeling hieromtrent bij een psycholoog niet in staat was om eerder een bezwaarschrift in te dienen, leidt niet tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Niet is gebleken dat de (psychische) situatie van appellante zodanig ernstig was dat zij gedurende de gehele bezwaartermijn niet in staat was om, al dan niet met behulp van derden, bezwaar te maken tegen het besluit van 7 december 2015.

4.5.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2017.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.W.L. van der Loo

AB