Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:306

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
31-01-2017
Zaaknummer
16/2613 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank wordt niet gevolgd in haar oordeel dat het Uwv het bezwaar bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit in zijn geheel beoordelen. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit op goede gronden vastgesteld dat appellante niet ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid als gevolg van zwangerschap en/of bevalling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2017/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16/2613 ZW

Datum uitspraak: 18 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
15 maart 2016, 15/9208 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.M. Breevoort hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2016. Voor appellante is verschenen mr. Breevoort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving tot 30 maart 2014 een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Aansluitend ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vanuit deze situatie heeft zij zich op 7 november 2014 ziek gemeld met sinds de bevalling aanhoudende bekkenklachten. Bij besluit van 6 februari 2015 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat tijdens de eerste dertien weken van de ziekte de WW-uitkering wordt doorbetaald, dat deze periode op 6 februari 2015 is verstreken en aan appellante daarom met ingang van 6 februari 2015 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) wordt uitbetaald gebaseerd op 70% van haar dagloon.

1.2.

Op 17 april 2015 heeft appellante het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts is na onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellante voorlopig ongeschikt is voor haar werk als directiesecretaresse voor 32 uur per week en dat deze ongeschiktheid niet als direct gevolg van de bevalling is aan te merken. Haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag is bepaald op 7 november 2014.

1.3.

Bij besluit van 1 mei 2015 heeft het Uwv aan appellante een Plan van aanpak toegezonden waarin aan appellante in het kader van de ZW re-integratieverplichtingen zijn opgelegd. Tevens is onder het kopje ‘afspraken’ vermeld dat appellante tijdelijk arbeidsongeschikt is voor het eigen werk, maar dat zij niet ongeschikt is ten gevolge van bevalling en/of zwangerschap. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en zich op het standpunt gesteld dat zij een aaneengesloten periode 100% arbeidsongeschikt is geweest en dat deze ongeschiktheid is veroorzaakt door de zwangerschap en de bevalling. Zij meent dan ook recht te hebben op een uitkering ter hoogte van 100% van haar dagloon.

1.4.

Bij besluit van 11 november 2015 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2015 ten grondslag. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat niet is gebleken dat appellante in 2014 aansluitend aan de WAZO-periode tot aan de ziekmelding in november 2014 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zag dan ook geen aanleiding om tot een eerdere arbeidsongeschiktheidsdag te komen, noch om te stellen dat sprake is van arbeidsongeschiktheid op grond van zwangerschap of bevalling.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 mei 2015 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de gronden van appellante niet zien op de re-integratieverplichtingen, maar op de hoogte van haar uitkering, zoals vastgesteld in het besluit van 6 februari 2015. Het Uwv heeft in het Plan van aanpak echter geen beslissing genomen die gevolgen heeft voor de hoogte van deze uitkering. Appellante kon met haar bezwaar dan ook niet bereiken dat haar uitkering hoger zou worden vastgesteld. Omdat appellante met de bezwaarprocedure het door haar beoogde resultaat niet kon behalen, had het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het besluit van 6 februari 2015 een automatisch gegenereerd besluit is waarin het Uwv zich nog niet heeft uitgelaten over de vraag of appellante vanaf het einde van de WAZO-uitkering recht had op een ZW-uitkering. Eerst tijdens het onderzoek op 17 april 2015 heeft de verzekeringsarts dit beoordeeld en het Uwv heeft zich eerst in het besluit van 1 mei 2015 hierover uitgelaten. Dat in het besluit van
6 februari 2015 al de hoogte van de uitkering is bepaald, is volgens appellante niet relevant omdat het Uwv eerst nadien onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten en omstandigheden. Ook valt niet in te zien waarom het bezwaar van appellante niet is aan te merken als een verzoek om terug te komen van het besluit van 6 februari 2015 in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Ten slotte heeft appellante verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld. In artikel 29, zevende lid, van de ZW is bepaald dat het ziekengeld 70% bedraagt van het dagloon van de verzekerde. Op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde, nadat het recht op uitkering op grond van de WAZO is geëindigd, indien zij aansluitend arbeidsongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, zolang die ongeschiktheid duurt, doch ten hoogste gedurende 104 aaneengesloten weken.

4.2.

De rechtbank wordt niet gevolgd in haar oordeel dat het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 mei 2015 bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. De ziekmelding van appellante, terwijl zij een WW-uitkering ontving, is zonder medisch onderzoek geaccepteerd. Het besluit van
6 februari 2015 verwoordt vervolgens dat gedurende de eerste drie maanden van de ongeschiktheid tot werken de WW-uitkering wordt doorbetaald en dat de reguliere

ZW-uitkering pas na drie maanden tot uitbetaling komt. Dit besluit is gebaseerd op artikel 19 van de ZW. De vaststelling dat de hoogte van die ZW-uitkering 70% van het dagloon bedraagt kan niet worden gezien als een besluit om geen ZW-uitkering van 100% toe te kennen. In het besluit is namelijk geen enkele verwijzing naar of motivering van de oorzaak van de ongeschiktheid tot werken te vinden. Bovendien had op 6 februari 2015 een medisch onderzoek naar de ongeschiktheid tot werken nog niet plaatsgevonden. Het Plan van aanpak van 1 mei 2015 bevat de vaststelling dat de ongeschiktheid tot werken van appellante niet zijn oorzaak vindt in de zwangerschap of de bevalling, na een kort daarvoor uitgevoerd medisch onderzoek. Daarin is tevens te lezen het besluit dat de hoogte van de ZW-uitkering niet zal worden vastgesteld op 100% van het dagloon. De grondslag van dit besluit wordt gevormd door artikel 29a van de ZW. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit in zijn geheel beoordelen. Aan de vraag of het bezwaarschrift moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 6 februari 2015 wordt daarom niet toegekomen.

4.3.

Uit het rapport van de verzekeringsarts van 28 april 2015 blijkt dat appellante tijdens het spreekuur te kennen heeft gegeven dat na de bevalling haar klachten aanzienlijk waren verminderd. Na de WAZO ging het een aantal maanden goed, zodat appellante, mocht zij nog in dienst zijn geweest, naar haar eigen inschatting in staat was geweest te hervatten in haar werk. De klachten zijn in het najaar van 2014 toegenomen, waarna appellante zich op
7 november 2014 heeft ziek gemeld. Op grond hiervan en het eigen onderzoek is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellante is aangewezen op rugsparende arbeid en dat zij voorlopig niet geschikt is voor haar werk, maar dat de ongeschiktheid niet direct het gevolg is van de bevalling.

4.4.

Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van het bezwaar dossieronderzoek verricht en appellante op de hoorzitting van 9 september 2015 gezien. Daarbij beschikte deze arts tevens over informatie van de bekkenfysiotherapeute van
8 juni 2015 en van de behandelend osteopaat bij wie appellante sinds 14 augustus 2013 regelmatig onder behandeling is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 6 november 2015 vermeld dat arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap of bevalling alleen aan de orde kan zijn als de arbeidsongeschiktheid aansluitend aan de WAZO optreedt. Een beoordeling achteraf is lastig en omdat appellante zichzelf niet aansluitend aan de WAZO ziek heeft gemeld zal zij goede argumenten moeten aanleveren waarom zij destijds arbeidsongeschikt zou zijn geweest. De behandelend osteopaat heeft te kennen gegeven dat appellante naar aanleiding van een val in juli 2014 weer onder behandeling is gekomen. Zij is daarvoor tweemaal behandeld, waarna de blokkades zijn verdwenen. Ook blijkt dat tussen juli 2014 en oktober 2014 geen fysiotherapie heeft plaatsgevonden en dat de bekkentherapie pas is gestart in november 2014. Daaruit blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet evident dat appellante aansluitend aan de WAZO doorlopend arbeidsongeschikt zou zijn geweest.

4.5.

In beroep heeft appellante nadere, ongedateerde, informatie overgelegd van haar behandelend osteopaat die heeft gesteld dat de klachten van appellante omstreeks
30 maart 2014 een direct gevolg waren van haar zwangerschap en dat zij daardoor niet in staat is geweest om per die datum haar werkzaamheden te verrichten. Volgens hem waren de klachten van appellante per 7 november 2014 nog steeds het directe gevolg van de zwangerschap. Ook is nadere informatie overgelegd van de behandelend bekkenfysiotherapeute van 1 februari 2016. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarop gesteld dat de osteopaat ongemotiveerde uitspraken heeft gedaan over de relatie met de zwangerschap en over de ongeschiktheid tot werken, waartoe hij niet bevoegd was. Omdat duidelijk is dat appellante niet doorlopend onder behandeling is geweest, zoals ook uit het eerdere schrijven van de osteopaat blijkt, bestaan geen aanwijzingen voor doorlopende arbeidsongeschiktheid voor haar eigen werk. Dit kan ook niet worden geconcludeerd uit de informatie van de bekkenfysiotherapeute, die appellante op 3 november 2014, ruim zeven maanden na de datum waarop appellante achteraf gezien arbeidsongeschiktheid claimt, voor het eerst heeft gezien. Nu duidelijk sprake is geweest van een toename van de klachten in november 2014, kunnen de door de fysiotherapeute vastgestelde klachten en afwijkingen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet per einde van de WAZO van toepassing worden geacht.

4.6.

In de aangevoerde gronden wordt geen aanleiding gezien het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals onder 4.4 en 4.5 weergeven, voor onjuist te houden. De namens appellante in hoger beroep overgelegde informatie van verzekeringsarts H.M.Th. Offermans van 25 april 2016 maakt dat niet anders. Hoewel Offermans te kennen heeft gegeven dat de klachten van appellante in de periode van
1 april 2014 tot en met 7 november 2014 naar zijn mening rechtstreeks voortvloeiden uit de zwangerschap of bevalling, heeft hij ook gesteld dat de behandelend osteopaat als enige relevante informatie zou kunnen leveren over de periode van 30 maart 2014 tot
7 november 2014. De bekkenfysiotherapeute is immers pas na zeven maanden in beeld gekomen en appellante heeft de huisarts tot negen maanden na de bevalling niet meer geraadpleegd. Zoals onder 4.4 al is weergegeven is appellante eerst in juli 2014 weer bij de osteopaat onder behandeling gekomen. Dat appellante door afwachtend beleid van de huisarts pas in een laat stadium is gestart met de gespecialiseerde (bekken)therapie is niet verder onderbouwd en volgt ook niet uit de voorhanden medische informatie. Hieruit volgt dat niet is komen vast te staan dat appellante, nadat haar recht op een WAZO-uitkering was geëindigd, aansluitend ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid als gevolg van de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap.
4.7. Wat in 4.3 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de slotsom dat het Uwv bij het bestreden besluit op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante per 7 november 2014 niet ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid als gevolg van zwangerschap en/of bevalling. Het beroep tegen het bestreden besluit moet dan ook ongegrond worden verklaard.

5. Omdat het bestreden besluit in stand blijft bestaat geen aanleiding voor een schadevergoeding. Het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente zal daarom worden afgewezen.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 990,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van
    € 990,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en B.M. van Dun en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.G.A.H. Toma

SS