Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
16/3734 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer arbeidsongeschikt als direct gevolg van zwangerschap of bevalling. Uit de voorhanden zijnde informatie blijkt dat de psychische klachten van appellante geen relatie hebben en hadden met zwangerschap of bevalling. Terugvordering. Het in de aangevallen uitspraak genoemde bedrag is correct berekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/3734 ZW

Datum uitspraak: 23 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 mei 2016, 15/2155 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2017. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zij zich laten vertegenwoordigen door W.L.J. Weltevrede. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 16/3735. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als productiemedewerkster tuinbouw voor 29,08 uur per week. Tot 9 september 2014 heeft wegens zwangerschap en bevalling een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) ontvangen, waarna zij zich ziek heeft gemeld met psychische klachten.

1.2.

Naar aanleiding van een spreekuur op 27 oktober 2014 heeft een arts van het Uwv geconcludeerd dat appellante per 9 september 2014 niet arbeidsongeschikt is als direct gevolg van zwangerschap of bevalling. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 oktober 2014 vastgesteld dat appellante geen beperkingen meer heeft door zwangerschap, bevalling of orgaandonatie als bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet (ZW).

1.3.

Bij besluit van 10 november 2014 heeft het Uwv een bedrag van € 1.775,40 bruto over de periode van 9 september 2014 tot en met 26 oktober 2014 ten onrechte betaalde ZW-uitkering van appellante teruggevorderd.

1.4.

De bezwaren van appellante tegen de besluiten van 27 oktober 2014 en 10 november 2014 heeft het Uwv bij besluit van 5 maart 2015 (bestreden besluit) gegrond verklaard, omdat bij het besluit van 27 oktober 2014 niet is komen vast te staan of appellante per
9 september 2014 arbeidsgeschikt was voor de maatgevende arbeid. Het Uwv heeft appellante daarom op praktische gronden per 9 september 2014 tot 2 oktober 2014, de maximale einddatum van de ZW, arbeidsongeschikt geacht en vastgesteld dat appellante in die periode recht heeft op een ZW-uitkering op basis van 70% van het voor haar geldende dagloon. Het standpunt dat appellante per 9 september 2014 niet arbeidsongeschikt is als direct gevolg van zwangerschap of bevalling wordt gehandhaafd, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 februari 2015. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het besluit van 10 november 2014 ingetrokken, vastgesteld dat de terugvordering over de periode van 9 september 2014 tot en met 1 oktober 2014 onterecht is en de terugvordering over de periode van 2 oktober 2014 tot en met 26 oktober 2014 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, voor zover het ziet op het standpunt van het Uwv over het per 9 september 2014 niet arbeidsongeschikt zijn als direct gevolg van zwangerschap of bevalling. Zij heeft overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende zorgvuldig geweest en de getrokken conclusie kan dragen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom de arbeidsongeschiktheid van appellante per datum in geding geen gevolg is van haar zwangerschap of bevalling. In dit verband heeft de rechtbank waarde gehecht aan de omstandigheid dat appellante zich op 4 juni 2012 ziek heeft gemeld in verband met psychische klachten en zij vóórdat haar zwangerschapsverlof is ingegaan niet beter is gemeld. Zij heeft overwogen dat appellante heeft nagelaten objectieve medische gegevens te overleggen waarmee wordt onderbouwd dat per 9 september 2014 sprake is van aan haar zwangerschap gerelateerde psychische klachten die tot arbeidsongeschiktheid leiden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank eveneens voldoende onderbouwd dat van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van
rug- en bekkenklachten samenhangend met haar zwangerschap of bevalling geen sprake is.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, voor zover het ziet op de terugvordering en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. De rechtbank houdt het ervoor dat het Uwv pas in beroep heeft gedaan wat het in het bestreden besluit had moeten opnemen, namelijk de hoogte van het teruggevorderde bedrag bijstellen naar € 887,74. Zij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover het is vernietigd, in stand blijven.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar psychische klachten samenhangen met haar zwangerschap en bevalling en wat dat betreft verwezen naar wat zij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. Volgens appellante is de aangevallen uitspraak innerlijk tegenstrijdig, omdat zij wel degelijk objectieve medische gegevens heeft overgelegd, terwijl de rechtbank heeft erkend dat de arts die de beoordeling in eerste instantie heeft verricht deze gegevens niet heeft opgevraagd. Appellante heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Zij heeft in hoger beroep verder gesteld dat het in de aangevallen uitspraak vastgestelde bedrag van de terugvordering onjuist is. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het oorspronkelijke teruggevorderde bedrag is gebaseerd op 100% van het dagloon en zij in ieder geval tot 2 oktober 2014 recht had op een uitkering gebaseerd op 70% van het dagloon. Volgens haar kan er daarom ten hoogste 30% van € 887,74 over de periode
9 september 2014 tot 2 oktober 2014 van haar teruggevorderd worden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 29a, vierde lid, van de ZW heeft de vrouwelijke verzekerde, nadat het recht op uitkering ingevolge de WAZO is geëindigd, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon, indien zij aansluitend ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap.

4.2.

In geschil is ten eerste of de ongeschiktheid van appellante om haar arbeid per
9 september 2014 te verrichten wegens haar psychische en lichamelijke klachten haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap.

4.3.

De rechtbank heeft niet ontkend dat appellante objectieve medische gegevens heeft overgelegd. Wel heeft de rechtbank overwogen dat met deze gegevens niet is onderbouwd dat per 9 september 2014 sprake is van aan haar zwangerschap gerelateerde psychische klachten die tot arbeidsongeschiktheid leiden. Wat appellante in hoger beroep hierover heeft aangevoerd, berust dus op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak.

4.4.

Appellante heeft in hoger beroep ter onderbouwing van haar standpunt dat haar klachten verband houden met haar zwangerschap en bevalling, verwezen naar wat zij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak volledig en gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank hierover en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich overtuigend en navolgbaar op het standpunt gesteld dat uit de voorhanden zijnde informatie blijkt dat de psychische klachten van appellante geen relatie hebben en hadden met zwangerschap of bevalling. De door appellante tijdelijk ervaren toename van haar klachten, volgens de verzekeringsarts een reactie op een zogeheten
‘life-event’, is daartoe onvoldoende. In de brief van 26 november 2014 van GZ-psycholoog M. Mudde van de Riagg is namelijk vermeld dat appellante zich in juli 2012 met psychische klachten heeft aangemeld, deze klachten zijn ontstaan nadat appellante met haar familie heeft gebroken en dat de bevalling een positief effect op haar psychische gesteldheid had. Wat betreft de gestelde rug- en bekkenklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk gemotiveerd dat een oorzakelijk verband met de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap niet bestaat. Hij heeft er daarbij terecht op gewezen dat appellante hiervan in al haar contacten met het Uwv niet eerder dan in bezwaar melding van heeft gemaakt en dat uit de informatie van de huisarts niet meer is op te maken dan dat appellante daar begin 2013 melding maakte van rug- en bekkenklachten. Daarvoor is appellante verwezen naar de fysiotherapeut, maar uit de ingebrachte informatie blijkt niet dat ze toen ook daadwerkelijk is behandeld. Geconcludeerd wordt dat wat appellante heeft aangevoerd, onvoldoende is voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hieruit volgt dat geen aanknopingspunten bestaan voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.

4.5.

Wat appellante heeft aangevoerd over de hoogte van het teruggevorderde bedrag berust op een onjuiste uitgangspunt, namelijk dat de ZW-uitkering zou zijn gebaseerd op 100% van het dagloon. Dat is niet het geval. Het in de aangevallen uitspraak genoemde bedrag van
€ 887,74 is correct berekend. Het oordeel van de rechtbank daarover wordt daarom onderschreven.

5. Uit wat onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en
A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2017.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M.S.E.S. Umans

AB