Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
11-09-2017
Zaaknummer
16/3949 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag krediet en algemene bijstand o.g.v. Bbz 2004. IMK heeft tot niet-levensvatbaar bedrijf geadviseerd. Door Rb geconstateerd gebrek is niet binnen daar voor gegeven termijn hersteld. Betreft termijn van orde. IMK-advies niet onzorgvuldig en evenmin op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen. Geen objectiveerbare gegevens dat wel sprake is van levensvatbaar bedrijf. Geen aanleiding om onafhankelijke deskundige te raadplegen zoals door appellant is verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16 3949 BBZ

Datum uitspraak: 5 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Limburg van

4 juni 2015, 14/3799, (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 mei 2016, 14/3799, (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Vaals (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij een verzoek om schadevergoeding ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nadaud en [naam] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.J.M.M. Metsemakers en mr. R.J. Kramer, advocaten, en

W. Ottenheim en mr. I.J.H. Lemmens. Tevens heeft het college getuige-deskundige

H.E.A. Bogers, werkzaam voor Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK), meegenomen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Als gevolg van het opheffen van de gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2016 treedt in dit geding het college in de plaats van het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland. In deze uitspraak wordt onder college tevens verstaan het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland.

1.2.

Appellant exploiteert sinds 1984 het bedrijf [naam bedrijf 1] in de vorm van een eenmanszaak, dat is gericht op de handel in (strooi)zout. Daarnaast exploiteert appellant sinds 1998 het bedrijf [naam bedrijf 2] in de vorm van een BV ( [naam bedrijf 2] ), dat is gericht op de verhuur van vakantiehuisjes en appartementen. In 2004 is aan appellant een bedrijfskrediet in het kader van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) toegekend.

1.3.

Op 12 mei 2014 heeft appellant een (vervolg)aanvraag ingevolge het Bbz 2004 ingediend voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en bedrijfskapitaal ten behoeve van zijn onderneming(en) tot een bedrag van € 110.000,-.

1.4.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college Intermezzo voor ondernemers (Intermezzo) verzocht om een advies uit te brengen. In het adviesrapport van 15 juli 2014 heeft Intermezzo geadviseerd de gevraagde lening af te wijzen omdat de lopende Bbz-lening (inclusief de renteachterstand) het in de regeling opgenomen kredietmaximum van
€ 190.812,- overschrijdt. Appellant had ten tijde van de aanvraag nog een openstaand krediet van € 150.696,- dat terugbetaald moet zijn vóór 1 december 2017. Hiervan bedraagt de achterstallige rente € 45.054,35 (tot 1 april 2014). Tevens heeft Intermezzo gesteld dat sprake is van een voorliggende voorziening in de vorm van een zoutvoorraad van 199 weken en dat appellant niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting door de stukken van [naam bedrijf 2] niet (tijdig) over te leggen.

1.5.

Bij besluit van 13 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 december 2014 (bestreden besluit 1), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de kredietbehoefte van appellant uitstijgt boven wat in het kader van het Bbz 2004 maximaal aan bedrijfskrediet kan worden verstrekt. De achterstallige rente dient te worden betrokken bij de vraag of nog ruimte is voor kredietverlening.

1.6.

Hangende het beroep tegen bestreden besluit 1 heeft appellant bij de rechtbank Limburg een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend inhoudende een verzoek om een voorschot op te verstrekken bedrijfskrediet. Bij uitspraak van 22 januari 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg het verzoek toegewezen en bepaald dat het dagelijks bestuur aan appellant een voorschot van € 20.000,- dient te verstrekken.

2. Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het rentebedrag niet bij het totale kredietbedrag kan worden opgeteld om daarmee de grens van de kredietruimte van € 190.812,- te bepalen. De afwijzing van de aanvraag heeft het college alleen gebaseerd op de overschrijding van het kredietmaximum. De levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant heeft het college ten onrechte niet beoordeeld. De rechtbank heeft het college vervolgens in de gelegenheid gesteld dit gebrek binnen drie maanden te herstellen.

2.1.

Ter uitvoering van de aangevallen tussenuitspraak heeft het college advies gevraagd aan het IMK met betrekking tot de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant. Het IMK heeft op 2 september 2015 advies uitgebracht. In zijn advies heeft het IMK op grond van alle door appellant geleverde gegevens geconcludeerd dat het bedrijf niet levensvatbaar is. Vervolgens heeft het college bij besluit van 3 september 2015 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant, voor zover gericht tegen het wettelijk toegestane kredietbedrag, gegrond verklaard, bestreden besluit 1 ingetrokken en het bezwaar, voor zover gericht tegen de levensvatbaarheid van zijn bedrijf, ongegrond verklaard. De afwijzing van de aanvraag heeft het college gehandhaafd.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1

niet-ontvankelijk en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op bestreden besluit 2 van

3 september 2015 en tevens een verzoek om veroordeling tot schadevergoeding ingediend.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het college niet binnen de door de rechtbank in haar tussenuitspraak gestelde termijn van drie maanden een nieuw besluit heeft genomen, zodat bestreden besluit 2 buiten beschouwing had moeten worden gelaten.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor zover moet worden aangenomen dat de gestelde termijn is overschreden, is van belang dat het hier een termijn van orde betreft. Aan de eventuele overschrijding daarvan heeft de rechtbank geen consequenties, bijvoorbeeld een dwangsom, verbonden in haar tussenuitspraak. Daarnaast dient een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit op grond van artikel 6:19 van Algemene wet bestuursrecht in het geding te worden betrokken. Het enkel overschrijden van de termijn betekent niet dat het besluit buiten beschouwing moet worden gelaten.

4.3.

Intermezzo heeft in zijn advies opgenomen dat in het lopende jaar een omzet die nodig is om aan alle verplichtingen te kunnen voldoen niet gerealiseerd zal worden, maar dat een dergelijk omzetniveau onder genormaliseerde winterse omstandigheden niet uitgesloten mag worden, waarbij op termijn een levensvatbare exploitatie tot de mogelijkheden behoort. Anders dan appellant heeft betoogd, kan hieruit geenszins worden afgeleid dat ten tijde van de beslissing op de aanvraag sprake was van een levensvatbaar bedrijf. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat Intermezzo geen afdoende onderzoek heeft gedaan naar de levensvatbaarheid.

4.4.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 2, tweede lid, van het Bbz 2004 kan algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend aan de persoon die als zelfstandige werkzaam is geweest en een levensvatbaar bedrijf heeft.

4.5.

Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het

Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om aan alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.6.

Voor de beoordeling van de levensvatbaarheid van een bedrijf is, anders dan appellant heeft betoogd, de situatie van het bedrijf ten tijde van het besluit op de aanvraag bepalend. Met eventuele ontwikkelingen na dat tijdstip kan geen rekening worden gehouden.

4.7.

Het IMK heeft in zijn advies van 2 september 2015 geconcludeerd dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. De financiële situatie van appellant is zwak. De waardering van de onroerende zaken van € 735.000,- leidt tot een positief vermogen. Volgens het IMK is de financieringsbehoefte vele malen hoger dan € 110.000,-. Dit is door het IMK becijferd op

€ 370.000,-. In het advies is echter de door appellant zelf gehanteerde financieringsbehoefte van € 110.000,- als uitgangspunt genomen. De voorraadpositie is per 31 december 2013 zeer fors en kent twee waarderingsgrondslagen (een fiscale waardering van € 471.130,- en een commerciële waardering van € 779.699,-), waarvan niet duidelijk is waarop deze beide waarderingen zijn gebaseerd. Intermezzo is in zijn rapportage uitgegaan van een afbouw van deze voorraad wat een positief effect zou hebben op de cashflow, maar begin 2014 bestond nog een inkoopverplichting, waarvan de hoogte door appellant niet bekend is gemaakt. De verschuldigde Duitse omzetbelasting bedraagt ruim € 114.000,-. Uit de jaarrekeningen blijkt dat het om belasting gaat over eerdere jaren en dat er betalingsachterstanden zijn. Volgens appellant zijn geen betalingsafspraken met de Duitse fiscus gemaakt, zodat ervan wordt uitgegaan dat de omzetbelasting op korte termijn moet worden betaald. In 2013 is door de verkoop van een deel van het klantenbestand forse winst gemaakt, die nog fiscaal moet worden verantwoord. Het IMK heeft becijferd dat in 2015 een bedrag van € 93.500,- moet worden aangegeven en betaald. Het IMK gaat uit van een geldstroom van € 16.000,- per jaar vanuit de eenmanszaak naar de BV. De liquiditeitstekorten lopen de komende jaren fors op; in 2016 wordt een tekort van € 645.000,- geprognosticeerd. De bedrijven van appellant staan op de rand van mogelijke discontinuïteit. Vorderingen zijn niet inbaar en schuldeisers kunnen het faillissement aanvragen. Bedrijfseconomisch is de solvabiliteit slecht; oftewel de financiële lasten en de schulden aan derden zijn onverantwoord hoog. Diverse geldstromen, transacties, vorderingen en verplichtingen zijn omgeven met vaagheden en onduidelijkheden en er zijn geen schriftelijke vastleggingen aanwezig. Het IMK acht kredietverlening dan ook onverantwoord.

4.8.

Het college heeft in beroep in reactie op de beroepsgronden van appellant een nadere reactie van 8 december 2015 van het IMK ingebracht. Ook in hoger beroep heeft het college naar aanleiding van de gronden in hoger beroep van appellant een nadere reactie van het IMK van 4 oktober 2016 ingebracht.

4.9.

Appellant heeft betoogd dat het onderzoek van het IMK onzorgvuldig is geweest en dat het adviesrapport fouten bevat. Naar vaste rechtspraak is een bijstandverlenend orgaan gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming inzake vragen met betrekking tot de levensvatbaarheid van ondernemingen te baseren op adviezen van deskundige instanties, zoals het IMK. In dit geval bestaat geen aanleiding daarover anders te oordelen. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het advies van het IMK op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Daarbij is tevens van belang dat het advies is gebaseerd op door appellant zelf gegeven informatie. Bovendien heeft het IMK desgevraagd steeds gemotiveerd gereageerd op de gronden die appellant in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd en, gelet op een eerst naderhand gebleken foutieve waardering van de voorraad de vermogenspositie, alsnog naar beneden bijgesteld. Deze correctie leidde tot een negatief vermogen van het bedrijf van appellant van € 150.000,- en kon evident niet tot een ander advies van het IMK leiden.

4.10.

De omstandigheid dat het IMK onderzoek heeft gedaan naar zowel de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant als de afbetalingsmogelijkheid van het eerdere Bbz-krediet, vormt, anders dan appellant heeft betoogd, geen grond voor het oordeel dat het advies van het IMK op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Daartoe heeft appellant geen concrete aanknopingspunten aangevoerd.

4.11.

Appellant heeft ten slotte geen objectieve gegevens overgelegd die zijn standpunt dat sprake is van een levensvatbaar bedrijf ondersteunen. De door appellant in beroep overgelegde reactie van zijn financieel adviseur van 25 september 2015 biedt daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Verder is het IMK op de reactie van de financieel adviseur ingegaan in de onder 4.8 genoemde reacties.

4.12.

Gelet op 4.6 tot en met 4.11 ziet de Raad geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te raadplegen zoals door appellant ter zitting verzocht.

4.13.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade bestaat onder deze omstandigheden geen ruimte, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer als voorzitter en M. Hillen en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2017.

(getekend) A. Stehouwer

(getekend) L.V. van Donk

HD