Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3031

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
15/7658 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 69%. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Geen aanleiding de beoordeling van de verzekeringsarts onjuist te achten. Geschikt de geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/7658 WIA

Datum uitspraak: 1 september 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
7 oktober 2015, 14/6648 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. R. Jonkman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant en het Uwv hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jonkman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als loketmedewerker postkantoren voor 36,4 uur per week. Op 1 maart 2012 is hij, vanuit een situatie waarin hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, uitgevallen met psychische klachten. Een verzekeringsarts van het Uwv heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid, na verzekeringsgeneeskundig onderzoek en na een psychiatrische expertise van psychiater G.E.A. de Waard (Psyon) van 3 maart 2014, neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 maart 2014. In deze FML zijn beperkingen neergelegd ten aanzien van het persoonlijk functioneren (voorspelbare werksituatie, werk zonder verhoogd persoonlijk risico en werk zonder voortdurende alertheid en concentratie). In het sociaal functioneren is appellant beperkt geacht ten aanzien van omgaan met conflicten en samenwerken. Verder heeft de verzekeringsarts op energetische en preventieve gronden een urenbeperking aangenomen van ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week. Na een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv aan appellant, bij besluit van 10 april 2014, een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend met ingang van 27 februari 2014. De mate van appellants arbeidsongeschiktheid is in dit besluit vastgesteld op 69%. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 april 2014 is bij beslissing op bezwaar van 13 oktober 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep heeft appellant een verklaring ingebracht van huisarts E.M. van Gondelle van 10 december 2014 en een expertise van psychiater H.S.R. Witte van 27 maart 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in aanvullende rapporten van 13 januari 2015 en
8 mei 2015 een reactie gegeven.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te achten. Bij dit oordeel heeft de rechtbank betrokken dat verzekeringsarts T.K. Gouw in een rapport van 8 en 14 juli 2014 (dat is opgemaakt in het kader van de Wet Werk en Bijstand) concludeert dat er geen argumenten zijn om op medische gronden aan te nemen dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en dat de verzekeringsarts op basis van eigen onderzoek en bestudering van de beschikbare stukken geen reden ziet andere beperkingen te stellen dan door de primaire verzekeringsarts is gedaan. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de ingebrachte expertise van psychiater H.S.R. Witte geen aanleiding vormt het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Ook de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank niet onjuist geacht.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn bezwaren tegen de medische grondslag van het bestreden besluit gehandhaafd. Hij heeft gesteld dat zijn persoonlijkheidsproblematiek onvoldoende is meegewogen. Appellant heeft een verklaring ingebracht van psychiater E.G.W.M. de Ruyter Korver van 22 januari 2016, een huisartsenjournaal over de periode van 3 september 2013 tot en met 21 januari 2015 en 8 oktober 2015. Appellant heeft gesteld dat het Uwv geen rekening heeft gehouden met zijn incontinentieklachten en nikkelallergie. Appellant is van mening dat hij wegens zijn alcoholafhankelijkheid en afhankelijkheid van benzodiazepinen niet kan werken in de geselecteerde functie van wikkelaar. Daarbij ziet hij het werken met fijn handgereedschap en soldeerijzer als problematisch. De functies huishoudelijk medewerker en huishoudelijke hulp acht appellant niet geschikt wegens zijn persoon. De functie medewerker tuinbouw kent een werkdag van maximaal 5 uur per dag, terwijl voor appellant een urenbeperking geldt van gemiddeld 4 uur per dag.

3.2.

Het Uwv heeft een rapport ingebracht van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 december 2015 en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 maart 2016. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de functie medewerker tuinbouw bij nader inzien dient te vervallen in verband met een ontoelaatbare overschrijding van de arbeidsduur. Het vervallen van deze – aanvullend geselecteerde – functie heeft geen gevolgen voor de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De verzekeringsartsen hebben kennis genomen van de beschikbare medische informatie en zij hebben appellant lichamelijk en psychisch onderzocht. Verder heeft de primaire verzekeringsarts een psychiatrische expertise laten verrichten door psychiater De Waard. In zijn rapport van
3 maart 2014 heeft psychiater De Waard de volgende diagnose gesteld: alcoholafhankelijkheid, zonder fysiologische afhankelijkheid; nicotineafhankelijkheid; afhankelijkheid van sedativum, hypnoticum of anxiolyticum (waarschijnlijk) met fysiologische afhankelijkheid. Psychiater De Waard acht appellant beperkt binnen het item vasthouden en verdelen van de aandacht. Er is namelijk sprake van regelmatig alcoholgebruik gedurende de dag, waarbij het gebruik van alcohol of andere middelen van negatieve invloed zijn op de cognities en het functioneren. Binnen de rubriek sociaal functioneren wordt appellant beperkt geacht op het item omgaan met conflicten. Psychiater De Waard heeft vastgesteld dat appellant niet aan de criteria van een angststoornis voldoet. Appellant meldt geen angstklachten en bij het psychiatrisch onderzoek worden geen aanwijzingen hiervoor gevonden. Naar aanleiding van de bevindingen van psychiater De Waard heeft de primaire verzekeringsarts beperkingen aangenomen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 26 september 2014 de FML onderschreven. In een rapport van 13 januari 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de ingebrachte informatie van huisarts E.M. van Grondelle meegewogen. Deze verzekeringsarts heeft vastgesteld dat uit de informatie van de huisarts niet blijkt dat appellant op de datum in geding, 27 februari 2014, voldoet aan de criteria voor geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Naar aanleiding van de door appellant ingebrachte expertise van psychiater Witte van 27 maart 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een nader rapport van 8 mei 2015 overwogen dat er ten tijde van het onderzoek door psychiater De Waard, op 11 februari 2014, geen aanwijzingen waren voor een angststoornis en dat ook tijdens de hoorzitting in bezwaar geen angstequivalenten zijn waargenomen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van de conclusie van psychiater De Witte dat in feite al vanaf zijn 20e sprake is van een angststoornis NAO, opgemerkt dat appellant hiermee gedurende 36 jaar heeft kunnen functioneren in arbeid. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten.

4.2.

Naar aanleiding van de in hoger beroep ingediende medische informatie wordt overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd dat de informatie van psychiater De Ruyter Korver van 22 januari 2016 niet leidt tot het aannemen van aanvullende beperkingen op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat de brief van psychiater De Ruyter Korver dateert van bijna 2 jaar na de datum in geding en dat rond de datum in geding geen depressieve stoornis is vastgesteld. Met betrekking tot de incontinentieklachten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in een rapport van 28 februari 2017 opgemerkt dat deze klachten niet eerder naar voren zijn gebracht en dat ervan uitgegaan mag worden dat in de geselecteerde functies wc’s in de nabijheid zijn, waarvan appellant gebruik kan maken. Met betrekking tot de op 8 oktober 2015 bij appellant geconstateerde nikkelallergie heeft de verzekeringsarts in bezwaar en beroep in haar rapport van 28 februari 2017 opgemerkt dat deze klachten evenmin eerder naar voren zijn gebracht en dat niet is gebleken dat op de datum in geding reeds sprake was van een nikkelallergie.

4.3.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant, wordt geen grond gezien voor het oordeel dat appellant niet geschikt is de voor hem door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat in de arbeidskundige rapporten toereikend is gemotiveerd dat die functies in medisch opzicht voor appellant passend zijn. In hoger beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 15 december 2015 met betrekking tot de functie wikkelaar (SBC-code 267050) nader toegelicht dat in deze functie geen sprake is van een signalering op het aspect 1.9.9 (specifieke voorwaarden voor het functioneren in arbeid). Verder heeft appellant geen beperkingen op het gebied van hand- en vingergebruik, zodat werk met fijn handgereedschap niet ongeschikt is. Met betrekking tot de functies huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333) en huishoudelijke hulp (SBC-code 372060) heeft de arbeidsdeskundige nader toegelicht dat in deze functies sprake is van schoonmaakwerkzaamheden en dat het geen taak of kenmerkende belasting is dat er gecommuniceerd moet worden met patiënten. De Raad acht deze toelichting voldoende.

5. De overwegingen 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2017.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) L.H.J. van Haarlem

NW