Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3018

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
18-09-2017
Zaaknummer
13/6958 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg na antwoord op prejudiciële vragen ECLI:NL:CRVB:2015:665, Arrest Chavez-Vilchez e.a. ECLI:NL:CRVB:2017:354. Gewijzigd standpunt college: wel afgeleid verblijfsrecht. WMO voorziening hulp bij behoud huisvesting terecht afgewezen. Betrokkene beschikte nog over huurwoning. Schadevergoeding artikel 6 EVRM: De tijd gemoeid met prejudiciële beslissing blijft buiten beschouwing; geen overschrijding redelijke termijn; zeer jonge leeftijd kind geeft geen aanleiding de redelijke termijn te bekorten. Proceskostenvergoeding in samenhangende zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13 6958 WMO, 13/6960 WWB, 14/2645 WWB, 14/3685 WWB, 14/5218 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de (voorzieningenrechter van de) rechtbank Den Haag van 12 december 2013, 13/9398 (aangevallen uitspraak 1), 3 april 2014, 13/5927 (aangevallen uitspraak 2), 16 mei 2014, 13/9446 (aangevallen uitspraak 3) en
7 augustus 2014, 14/3057 (aangevallen uitspraak 4) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante),

[Appellant] te [woonplaats] (appellant), wettelijk vertegenwoordigd door appellante

het college van burgemeester en wethouders van Leiden (college)

Datum uitspraak: 1 september 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken en een verzoek ingediend tot vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Bij verzoek van 16 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:665 (verzoek) heeft de Raad in soortgelijke geschillen, het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) verzocht om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Bij brief van 21 januari 2016 heeft de Raad partijen in de zaken 13/6958 en 13/6960 bericht dat deze procedures worden aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof in de soortgelijke geschillen. Op 30 maart 2017 is een soortgelijke brief gezonden in de overige procedures van appellante. Namens appellante is in reactie op laatstgenoemde brief bezwaar gemaakt tegen de aanhouding van de gedingen.

Het Hof heeft arrest gewezen op 10 mei 2017, C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354 (arrest Chavez Vilchez e.a.).

Bij brief van 7 juli 2017 is het verzoek om schadevergoeding nader toegelicht.

Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Raad de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) verzocht ter zitting inlichtingen te verschaffen.

De gedingen zijn ter zitting behandeld op 21 juli 2017, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken. Appellanten hebben zich daarbij laten vertegenwoordigen door mr. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. L.J.A. Edelaar. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Stroo, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst en wordt in deze zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1984 en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Uit de relatie tussen appellante en [naam A], die de Nederlandse nationaliteit heeft, is op 10 april 2009 appellant geboren. Appellant bezit de Nederlandse nationaliteit. In 2010 hebben appellanten zich in Nederland gevestigd bij [naam A]. Op 30 augustus 2011 is appellante met haar zoon gevlucht naar [naam opvang]. Het college heeft vervolgens tot
1 februari 2013 bijstand aan appellante toegekend. Op 30 november 2012 is het huwelijk van appellante met [naam A] ontbonden. Bij besluit van 12 juni 2012 is het verzoek van appellante tot wijziging van de aan haar toegekende vergunning tot verblijf bij partner in een vergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ afgewezen. In februari 2013 heeft het college geconstateerd dat appellante niet meer beschikte over een geldige verblijfstitel.

1.2.

Bij besluit van 8 februari 2013 heeft het college bepaald dat appellante vanaf
1 februari 2013 geen bijstand meer krijgt, omdat zij geen geldige verblijfstitel heeft. Vervolgens heeft het college met ingang van 11 februari 2013 aan appellante voor het levensonderhoud van appellant (kinder)bijstand toegekend ter hoogte van de norm die van toepassing is op alleenstaanden van 18 tot en met 20 jaar. Bij besluit van 25 juni 2013 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2013 ongegrond verklaard.

1.3.

Bij besluit van 19 juni 2013 heeft het college de aanvraag om bijstand van appellante van 30 mei 2013 afgewezen, omdat zij niet beschikt over een verblijfstitel op grond waarvan recht op bijstand bestaat.

1.4.

Bij besluit van 5 september 2013 heeft het college de aanvraag van appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) om hulp bij het behoud van huisvesting, afgewezen, omdat appellanten nog beschikten over een woning.

1.5.

Bij beslissing op bezwaar van 12 november 2013 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 19 juni 2013 en 5 september 2013 ongegrond verklaard.

1.6.

Bij besluit van 17 mei 2013 heeft het college de aanvraag van appellante voor bijzondere bijstand voor woonkosten en energiekosten afgewezen, omdat zij niet beschikt over een verblijfstitel op grond waarvan recht op bijstand bestaat. Op dezelfde grond heeft het college bij besluit van 2 augustus 2013 de aanvraag van appellante voor bijzondere bijstand voor de huurachterstand van de woning afgewezen.

1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 4 maart 2014 (bestreden besluit 3) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 17 mei 2013 en 2 augustus 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden

besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard.

3.1.

Naar aanleiding van het arrest Chavez Vilchez e.a. heeft het college, na overleg met de IND, het standpunt ingenomen dat aan appellante een van appellant afgeleid verblijfsrecht toekomt. Dit betekent dat het college appellante niet langer tegenwerpt dat zij geen rechtmatig verblijf had en dat de beëindiging van de bijstand en de bijzondere bijstand per
1 februari 2013 onjuist was.

3.2.

De gemachtigde van appellanten heeft aangevoerd dat nog moet worden beslist over de proceskosten in beroep en in hoger beroep en heeft verzocht een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ten aanzien van dit laatste is betoogd dat gezien de zeer jonge leeftijd van appellant en de psychische situatie van appellante bepleit kan worden dat de standaardtermijnen die door de Raad gehanteerd worden bij de vaststelling van de schade, alsmede de hoogte van de standaard schadevergoeding, niet redelijk zijn in de omstandigheden van het geval. Daarbij dient volgens de gemachtigde zwaar mee te wegen dat appellant de Nederlandse nationaliteit heeft, jarenlang onder het bestaansminimum heeft geleefd en daardoor ernstig is belemmerd in zijn ontwikkeling. Voorts is van belang dat het Unierecht niet conform artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toegepast.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Uit 3.1 volgt dat het college bestreden besluiten 1 en 3 en bestreden besluit 2, voor zover betrekking hebbend op de weigering van bijstand, niet langer handhaaft zodat deze besluiten en ook de aangevallen uitspraak waarbij deze besluiten in stand zijn gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.

4.1.2.

Tussen partijen is nog wel in geschil of het college bij bestreden besluit 2 de weigering van opvang van appellanten op grond van de Wmo terecht heeft gehandhaafd. Het college is blijkens bestreden besluit 2 van mening dat er geen noodzaak bestond opvang te verlenen zolang appellanten nog de beschikking hadden over een huurwoning. Dit standpunt wordt onderschreven. Het enkele feit dat appellanten nog beschikten over een adequate woning, betekent reeds dat er geen noodzaak was tot het treffen van de gevraagde voorziening. Dit betekent dat in het midden kan worden gelaten of er ten tijde van de aanvraag sprake was van een voorliggende voorziening en zo niet, of de omstandigheden van appellanten zodanig waren dat het college verplicht was de gevraagde opvang te verlenen.

4.1.3.

Uit 4.1.1 en 4.1.2 volgt dat de aangevallen uitspraken vernietigd dienen te worden evenals de bestreden besluiten 1 en 3. Bestreden besluit 2 wordt vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2013 ongegrond is verklaard. De Raad heeft onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien en ziet, nu het in deze zaken voornamelijk om een financiële uitwerking gaat, geen aanleiding voor toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus. De Raad zal daarom het college opdracht geven om nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen, waarbij het college tevens beslissingen dient te nemen over de verzoeken om vergoeding van de kosten in bezwaar. Met het oog op een voortvarende afdoening van de geschillen, en na bespreking van de wijze van afdoening met partijen ter zitting, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de te nemen nieuwe beslissingen slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

4.2.1.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.2.2.

Voor de wijze van beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van
26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, en het arrest van de Hoge Raad van
19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hieruit volgt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt op het moment waarop de Raad uitspraak heeft gedaan. Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden, wordt de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing buiten beschouwing gelaten. Verder is in beginsel een vergoeding gepast van
€ 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

4.2.3.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door het college op 25 februari 2013 tot de uitspraak van de Raad zijn vier jaar en ruim 6 maanden verstreken. Nu appellante bij brief van 21 januari 2016 is meegedeeld dat de behandeling van de zaken 13/6958 en 13/6960 wordt aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof in soortgelijke geschillen, kon het haar vanaf dat moment duidelijk zijn dat ook de overige zaken om die reden werden aangehouden. In die zaken speelde immers dezelfde rechtsvraag een prominente rol als in eerst genoemde zaken. Voorts was het wachten op het antwoord van het Hof in de zaken van appellante alleszins redelijk, nu onduidelijkheid bestond over de vraag of de staatssecretaris bij de beoordeling van het verblijfsrecht van derdelanders met een Nederlands kind een juiste interpretatie van het Europees recht hanteerde. Dit alles betekent dat een periode van één jaar en drie maanden niet meetelt bij de beoordeling van de redelijke termijn en dat de redelijke termijn van vier jaar dus niet is overschreden.

4.2.4.

De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat er aanleiding is de redelijke termijn in dit geval te verkorten. Bij dit oordeel is niet uit het oog verloren dat in zaken waarin de belangen van het kind een grote rol spelen voortvarend moet worden gehandeld en dat er zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die aanleiding kunnen geven tot een verkorting van die termijn in verband met de belangen die op het spel staan (vergelijk het onder 4.2.2 genoemde arrest van de Hoge Raad, overweging 3.5.1). Met inachtneming van die belangen kan, mede gezien de complexiteit van deze zaak, niet worden gezegd dat de zaak met onvoldoende voortvarendheid is behandeld en daarom niet binnen een redelijke termijn is afgedaan.

5.1.

Aanleiding bestaat voor een vergoeding van de door appellanten in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende Bijlage, waarbij rekening moet worden gehouden met de proceshandelingen in de nationale procedure en de procedure bij het Hof. De waarde per proceshandeling in beroep en hoger beroep bedraagt volgens het bepaalde in bijlage B1 bij het Bpb € 495,- per punt. De Raad merkt de onderhavige zaken mede wegens het debat in beroep en hoger beroep over Europese regelgeving aan als zwaar, zodat het gewicht van de zaken met toepassing van het bepaalde in bijlage C1 bij het Bpb op wegingsfactor 1,5 wordt gesteld. Daarnaast dient voor de beroeps- en de hoger beroepsfase afzonderlijk te worden beoordeeld of bij de in die fase behandelde zaken sprake is van samenhang in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Indien zich in een fase van de procedure een dergelijke samenhang tussen zaken voordoet, dienen die zaken voor de berekening van een proceskostenvergoeding voor die gehele fase als één zaak te worden aangemerkt. Het voorgaande leidt tot de volgende vaststelling van de proceskostenvergoeding.

Beroepsfase

5.2.

De onderhavige zaken worden in de beroepsfase niet aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Bpb, omdat in deze fase de verschillende zaken niet steeds gelijktijdig zijn behandeld en niet kon worden volstaan met nagenoeg identieke werkzaamheden. In de zaak 14/2645 WWB wordt de vergoeding voor de kosten van verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.485,-, te weten 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 11 februari 2014, vermenigvuldigd met factor 1,5 voor het gewicht van de zaak. In de zaak 14/3685 WWB wordt de vergoeding voor de kosten van verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.485,-, te weten 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 15 april 2014, vermenigvuldigd met factor 1,5 voor het gewicht van de zaak. In de zaak 14/5218 WWB wordt de vergoeding voor de kosten van verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.485,-, te weten 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 24 juli 2014, vermenigvuldigd met factor 1,5 voor het gewicht van de zaak. In de zaken 13/6958 WWB en 13/6960 WWB ziet de Raad geen aanleiding voor een veroordeling van het college in de proceskosten, nu aangevallen uitspraak 1 hoofdzakelijk betrekking heeft op de weigering van de voorziening op grond van de Wmo. Het door het college te vergoeden bedrag voor de kosten van in beroep verleende rechtsbijstand wordt derhalve vastgesteld op

€ 4.455,- in totaal.

Hoger beroepsfase

5.3.

Ter zitting is een groot aantal zaken van diverse personen met verschillende colleges van burgemeester en wethouders, dan wel de Sociale verzekeringsbank als wederpartij, gelijktijdig behandeld. Hoewel in al deze zaken één gemeenschappelijke rechtsvraag speelt, bestaan er onderling ook grote inhoudelijke verschillen zowel wat betreft de feiten en persoonlijke omstandigheden van betrokkenen als de aangevoerde hoger beroepsgronden. Van nagenoeg identieke werkzaamheden kan dan ook geen sprake zijn. Gelet hierop worden alle gevoegd behandelde zaken van de verschillende gezinnen niet als samenhangende zaken aangemerkt. Dit kan in de hoger beroepsfase echter anders liggen in de individuele zaken. In de hoger beroepsfase zijn de zaken van appellanten gelijktijdig behandeld. Omdat in al deze zaken de rechtsbijstand is verleend door één of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband, de Fischergroep, en de werkzaamheden in hoger beroep nagenoeg identiek konden zijn, worden deze zaken aangemerkt als samenhangende zaken. Deze zaken worden voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten als één zaak beschouwd waaraan met toepassing van het bepaalde in de bijlage C2 bij het Bpb de factor 1,5 wordt toegekend. In al deze zaken wordt de vergoeding voor de kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep vastgesteld op € 2.227,50. Te weten 1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de Raad. Derhalve 2 punten in totaal, vermenigvuldigd met factor 1,5 voor het gewicht van de zaak en vermenigvuldigd met factor 1,5 voor het aantal samenhangende zaken van vier of meer.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraken;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 12 november 2013 ongegrond voor zover gericht tegen de weigering van een voorziening op grond van de Wmo;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige gegrond;

  • -

    vernietigt de besluiten van 25 juni 2013 en 4 maart 2014 en vernietigt het besluit van
    12 november 2013 voor het overige;

  • -

    draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen en bepaalt dat beroep tegen deze besluiten slechts bij de Raad kan worden ingesteld;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af; ·

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 6.682,50;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 499,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en
J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2017.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) H. Achtot

SS