Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:301

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
30-01-2017
Zaaknummer
15-7557 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek en een deugdelijk onderbouwd en gemotiveerd rapport van de verzekeringsarts. Geen benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7557 ZW

Datum uitspraak: 18 januari 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 oktober 2015, 15/3006 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Kaouass, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. K.E.J. Dohmen, advocaat, heeft zich bij brief van 30 november 2016 als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2016. Namens appellant is

mr. Dohmen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft laatstelijk gewerkt als helpdeskmedewerker. Hij heeft zich op

7 januari 2008 ziek gemeld met rugklachten en psychische klachten. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant per 28 januari 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant is met zijn beperkingen in staat geacht per genoemde datum passende functies te vervullen.

1.2.

Appellant heeft zich op 20 februari 2012 opnieuw ziek gemeld wegens rugklachten en psychische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant is in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Hij heeft op 24 juli 2012 van een arts van het Uwv toestemming gekregen om met ingang van 1 augustus 2012 gedurende drie maanden therapeutische gesprekken te voeren in Marokko.

1.3.

Na afloop van de periode van drie maanden is appellant opgeroepen om op 8 januari 2013 op het spreekuur van de arts te komen. Appellant heeft zich om medische redenen afgemeld. Hierop heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellant geschorst met ingang van

14 januari 2013. Appellant is vervolgens opgeroepen voor het spreekuur van 20 juli 2013. Zonder bericht is appellant daar niet verschenen. Bij besluit van 26 augustus 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 13 januari 2013 geen recht meer had op ziekengeld. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat niet kon worden vastgesteld of appellant toen nog ziek was, omdat hij niet is verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts.

1.4.

Bij besluit van 16 december 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 augustus 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 juli 2014 (14/225) heeft de rechtbank Limburg het beroep tegen het besluit van 16 december 2013 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

1.5.

Ter uitvoering van deze uitspraak heeft in februari 2015 medisch onderzoek van appellant plaatsgevonden. Dit bestond uit een onderzoek door psychiater W.M.J. Hassing, een onderzoek door neuroloog J.O. Mispelblom Beijer en een gesprek met een verzekeringsarts. Op basis van de bevindingen van deze artsen heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met ingang van 13 januari 2013 geschikt was voor de maatgevende arbeid, te weten de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies, en heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 14 april 2015 (bestreden besluit) de beëindiging van de ZW-uitkering van appellant met ingang van 13 januari 2013 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de juistheid van het uitgevoerde medische onderzoek, nu dit mede is gebaseerd op uitvoerig onderzoek door twee specialisten, en de verzekeringsarts, anders dan appellant heeft gesteld, de ruimschoots aanwezige informatie van de behandelaars uit Marokko mede bij zijn oordeel heeft betrokken. Dat de psychiater en de neuroloog niet het hele medische dossier van appellant hebben ingezien, maar zijn voorzien van een door de verzekeringsarts verstrekte samenvatting, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af en doet geen afbreuk aan het door deze deskundigen zelf verrichte onderzoek. De rechtbank heeft overwogen dat appellant geen medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn lichamelijke of psychische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid zijn toegenomen sinds 2010.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat, nu de Caisse Nationale de Sécurité Sociale in Marokko (CNSS) heeft geweigerd hem een kopie van zijn medisch dossier te overhandigen, de rechtbank het Uwv had moeten opdragen om dat dossier bij de CNSS op te vragen, omdat zich daarin medische stukken bevinden die van belang zijn voor deze procedure. Doordat de verzekeringsarts, de neuroloog en de psychiater bij het opstellen van hun rapporten geen kennis hebben genomen van het CNSS-dossier is het medisch onderzoek naar de mening van appellant niet zorgvuldig geweest. Daar komt volgens appellant bij, dat de neuroloog heeft verzuimd om contact op te nemen met de oogarts die in 2012 oculomotorius parese bij hem heeft vastgesteld, uit welke informatie had kunnen blijken of appellant genezen is van deze ziekte, wat volgens hem niet het geval is, en dat de neuroloog om onbegrijpelijk redenen niet bij zijn beoordeling heeft betrokken dat in 2011 in Marokko een hernia op L5-S1 is vastgesteld. Het onderzoek door de psychiater is volgens appellant onzorgvuldig geweest, omdat zij niet heeft onderbouwd waarom de geuite klachten niet plausibel zouden zijn. De psychiater heeft volgens hem geen kennis genomen van informatie van de huisarts, noch van de psychiater die hem in het verleden heeft behandeld, waardoor haar oordeel slechts een momentopname is. Appellant heeft ten slotte aangevoerd dat de rechtbank heeft nagelaten een oordeel te geven over zijn verzoek een deskundige te benoemen. Dit verzoek heeft appellant in hoger beroep herhaald.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake als de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Zoals in 1.5 weergegeven heeft de verzekeringsarts, voordat hij appellant heeft gezien op zijn spreekuur, onderzoek laten verrichten door een neuroloog en een psychiater. Aan beide specialisten is een samenvatting verstrekt van de inhoud van de in het dossier aanwezige medische stukken, die een juist en compleet beeld daarvan geeft, en zijn vragen gesteld over de medische situatie van appellant. Uit de samenvatting blijkt onder andere dat de rugklachten van appellant vanaf 1991 zijn ontstaan en dat vanaf 27 mei 1998 geregeld melding is gemaakt van een HNP L5-S1.

4.3.

De neuroloog heeft appellant onder meer aan zijn rug onderzocht en heeft beperkingen aanwezig geacht wat betreft de belastbaarheid van de rug, gezien de eerder vastgestelde lumbale HNP, het opgetreden caudasyndroom en de sindsdien persisterende pijnklachten. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de neuroloog de rugklachten van appellant niet voldoende heeft onderkend. De neuroloog heeft ook de oogklachten van appellant onderzocht. Uit het rapport van 25 februari 2015 blijkt dat hij geen neurologische oorzaak voor die klachten heeft gevonden: er was op dat moment geen ptosis aanwezig, de pupillen van appellant waren nauw en isocoor en er was geen ernstige uitval van oogspieren. Nu uit het dossier niet blijkt dat appellant ooit een oogarts heeft bezocht, noch dat appellant op

13 januari 2013 klachten had als hiervoor genoemd kan de neuroloog niet worden tegengeworpen dat hij geen contact heeft opgenomen met een oogarts. Het onderzoek van de neuroloog was zorgvuldig.

4.4.

Voor het onderzoek door de psychiater geldt hetzelfde. De psychiater was op grond van de aan haar verstrekte samenvatting van het medische dossier op de hoogte van de brief van sociaal-psychiatrisch verpleegkundige H. Achten en psychiater M. Brooijmans van 1 augustus 2012, waarin is gesteld dat appellant lijdt aan een Stemmingsstoornis NAO. De in 3.1 weergegeven beroepsgrond van appellant mist daarom feitelijke grondslag. Het rapport van de psychiater is ook overigens op zorgvuldige wijze tot stand gekomen.

4.5.

De verzekeringsarts heeft op basis van de rapporten van de neuroloog en de psychiater, alsmede op basis van zijn eigen onderzoeksbevindingen geconcludeerd dat appellant met ingang van 13 januari 2013 niet meer ongeschikt was voor zijn maatstaf arbeid. Op grond van wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen en omdat de uit het medisch onderzoek getrokken conclusies door appellant niet anderszins zijn betwist, wordt geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is. Het oordeel van de rechtbank op dit punt is juist.

4.6.

Gezien het vorenstaande komt het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor bevestiging in aanmerking. Nu appellant niet heeft onderbouwd dat de CNSS beschikte over medische informatie die door het Uwv niet in zijn besluitvorming is betrokken, wordt reeds hierom zijn stelling dat het CNSS-dossier opgevraagd had moeten worden, verworpen.

4.7.

Appellant heeft terecht naar voren gebracht dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak had behoren in te gaan op zijn verzoek om een deskundige te benoemen. In zoverre is de aangevallen uitspraak onvolledig. Dat de rechtbank niet is overgegaan tot het inschakelen van een deskundige was echter een juiste beslissing, nu het bestreden besluit was gebaseerd op zorgvuldig medisch onderzoek en een deugdelijk onderbouwd en gemotiveerd rapport van de verzekeringsarts, aan de juistheid van wiens conclusies geen twijfel bestaat. Om dezelfde reden ziet ook de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met een aanvulling van de gronden.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en B.M. van Dun en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.G.A.H. Toma

RB