Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2017:3001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
17/3540 WAZ-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

17/3540 WAZ-VV

Datum uitspraak: 28 augustus 2017

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 maart 2017, 16/2142 (aangevallen uitspraak) en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2017. Verzoeker is ter zitting verschenen, vergezeld door [naam A] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1. Voor de beoordeling van het onderhavige verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker exploiteerde sinds 1995 een [zaak] . Hij heeft op 10 januari 2000 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aangevraagd, naar aanleiding waarvan is vastgesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 mei 1999 is. Het Uwv heeft vastgesteld dat verzoeker na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 29 april 2000 geen recht heeft op een WAZ-uitkering, omdat hij per die datum minder dan 25% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 19 juli 2001 heeft het Uwv de aanvraag van verzoeker om een WAZ-uitkering afgewezen. Bij besluit van 15 mei 2002 is het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Verzoeker heeft op 1 oktober 2015 opnieuw een WAZ-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 14 oktober 2015 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat de WAZ met ingang van 1 augustus 2004 is afgeschaft en niet is gebleken dat verzoeker in het verleden enig inkomen als zelfstandige heeft kunnen verwerven. Verzoeker voldeed daarom niet aan de wettelijke vereisten voor een uitkering. Bij besluit van 23 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 14 oktober 2015, onder wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard. Het Uwv heeft uit de aanvraag opgemaakt dat verzoeker heeft beoogd in aanmerking te komen voor een WAZ-uitkering wegens toename van arbeidsongeschiktheid vanaf 29 april 2000. Er is volgens het Uwv geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 29 april 2000 ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak. Voorts is er volgens het Uwv geen sprake van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven om de eerdere beslissing van 19 juli 2001 te herzien. Aan het bestreden besluit is een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
28 januari, 15 februari en 18 februari 2016 ten grondslag gelegd.

1.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2. In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daartoe onder meer aangevoerd dat zijn belastbaarheid binnen vijf jaar na 29 april 2000 verder is afgenomen. Verzoeker is van mening dat hij, gelet op zijn medische beperkingen, vanaf die datum recht heeft op een WAZ-uitkering. Hij heeft de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat het Uwv wordt veroordeeld hem maandelijks een voorschot op de WAZ-uitkering te betalen.

3. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2.

De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.

3.3.

Verzoeker heeft ter motivering van het door hem gestelde spoedeisend belang aangevoerd dat hij, doordat zijn aanvraag voor een WAZ-uitkering is afgewezen, in een financiƫle noodsituatie is geraakt. Hij beschikt niet over inkomsten om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Hij heeft bovendien geen recht op een uitkering op grond van de Participatiewet, omdat hij in aanmerking dient te komen voor een WAZ-uitkering.

3.4.

Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Hij heeft niet onderbouwd dat hij in een financiƫle noodsituatie verkeert. Verzoeker heeft niet aangetoond dat hij niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Participatiewet. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd verklaard dat de door hem bij de gemeente Arnhem aangevraagde uitkering op grond van de Participatiewet is afgewezen, omdat hij niet heeft voldaan aan het verzoek van de gemeente om zijn aanvraag te onderbouwen met de benodigde bewijsstukken. Hieruit vloeit voort dat de gemeente het verzoek om deze uitkering niet op inhoudelijke gronden heeft afgewezen. Verzoeker kan, indien hij zijn aanvraag onderbouwt met de benodigde bewijsstukken, een beroep doen op een uitkering op grond van de Participatiewet. Daarbij valt niet in te zien dat verzoeker niet in staat zou zijn deze bewijsstukken aan de gemeente te verstrekken. Verzoeker wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de gemeente hem de voornoemde uitkering zal weigeren, omdat hij recht heeft op een WAZ-uitkering. Dit recht staat immers niet vast. Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter onvoldoende grond aanwezig om te oordelen dat sprake is van een (financieel) spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening vordert.

3.5.

Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.

3.6.

Uit het vorenstaande volgt dat niet is voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van R.H. Budde als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2017.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) R.H. Budde

AB